Media


College voor de Rechten van de Mens: Rijksoverheid discrimineert woonwagenbewoners.

3 mei 2017

Op 1 mei 2017 heeft het College voor de Rechten van de Mens (CRM) de volgende oordelen uitgesproken in de zaak tussen Woonwagenbewonersvereniging Gouda ondersteund door het Nederlands Comité voor de Mensenrechten (NJCM) en PILP tegen de gemeente Gouda en de Rijksoverheid :

  1. Rijksoverheid discrimineert door advisering nuloptiebeleid– “De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties maakt jegens een woonwagenbewonersvereniging verboden onderscheid op grond van ras door middel van het opnemen van de ‘nuloptie’ in de handreiking “Werken aan woonwagen-locaties”.
  2. Volkshuisvestingsbeleid woonwagenbeleid is zaak van gemeenten. Het College is niet bevoegd te beoordelen of de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (verboden) onderscheid maakt door geen volkshuisvestings-beleid te voeren ten behoeve van woonwagenbewoning.”

Rijksoverheid discrimineert door advisering nuloptiebeleid.

Het College voor de Rechten van de Mens oordeelt, net zoals zij in eerdere uitspraken heeft gedaan bij gemeenten en woningcorporaties, dat ook de Rijksoverheid al vele jaren in strijd handelt met de Algemene Wet Gelijke behandeling (AWGB), doordat zij uitsterfbeleid als een acceptabele en legitieme vorm van huisvestingsbeleid aan gemeenten heeft voorgesteld. Het College is van oordeel dat deze beleidsvariant onderscheidmakend is jegens woonwagenbewoners. De nuloptie tast de kern van de woonwagencultuur aan omdat die ertoe leidt dat huisvesting in woonwagens verdwijnt . Door de nuloptie als beleidsvariant te noemen heeft verweerder niet alleen onderscheidmakend woonwagenbeleid door gemeenten in de hand gewerkt, maar dit ook op voorhand gelegitimeerd.De Rijksoverheid maakt daarmee verboden onderscheid op grond van ras in de zin van artikel 7a, eerste lid, AWGB. Het College kwalificeert het gemaakte onderscheid als direct onderscheid op grond van ras. De nuloptie heeft betrekking op woonwagenlocaties en treft daarmee uitsluitend woonwagenbewoners, die onder de bescherming van het discriminatieverbod op grond van ras vallen.

Tweede variant: Afbouwbeleid

Het College doet ook uitspraken over de tweede beleidsvariant het afbouwbeleid. In die situatie worden bestaande wat grotere woonwagencentra opgedeeld en verkleind tot centra van enkele standplaatsen. Het College is van oordeel dat afbouwbeleid niet onderscheidmakend en dus discriminerend hoeft te zijn, maar wel kan leiden tot onderscheid jegens woonwagenbewoners. Van belang is of door de geringe(re) omvang van de woonwagenlocaties de essentie van de woonwagencultuur verdwijnt. Over de vraag of dat zo is kan naar het oordeel van het College geen algemene uitspraak worden gedaan omdat dit afhangt van de concrete situatie.

Derde variant: Woonvisiebeleid

De derde variant, het woonvisiebeleid, houdt in dat het wonen op een standplaats wordt ingebed in de reguliere gemeentelijke processen. Hierbij worden woonwagenbewoners gelijkgesteld aan en concurrerend met andere woningzoekenden. Het College is van oordeel dat deze variant op zich niet onderscheidmakend is jegens woonwagenbewoners. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente om het huisvestingsbeleid zodanig vorm te geven dat in een zo gelijkwaardig mogelijk aanbod van woonruimte wordt voorzien voor woonwagenbewoners en voor personen die wachten op een sociale huurwoning.

Sociale huurwoning gelijkwaardig aan huurstandplaats + huurwoonwagen?

Het is interessant of het College in de toekomst zich ook uitspreekt over de vraag of gemeenten of woningcorporaties discrimineren, als zij uitgaande van een gelijkwaardig aanbod tussen een sociale huurwoning  en woonruimte voor woonwagens, wel een huurstandplaats maar geen huurwoonwagen willen verstrekken. Er zijn immers nog veel woonwagenbewoners met oude eigen woonwagens (VROM of CRM),die wel op een standplaats staan, maar waar de gemeente of woningcorporatie geen huurwagen willen verstrekken.

In de toekomst geen uitsterfbeleid meer. 

Door deze uitspraak kunnen gemeenten en woningcorporaties geen woonwagenbeleid of huisvestingsbeleid voor woonwagenbewoners meer vaststellen, dat uitgaat van actief of passief uitsterfbeleid, waarbij zij o.a.verwijzen naar de beleidsnotitie van de Rijksoverheid uit 2006 ‘”Werken aan Woonwagenlocaties”. Dit is een belangrijke principiële uitspraak, waardoor aangesloten wordt op internationale mensenrechtenstandaarden zoals uitgewerkt door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), het Europese Comité inzake Sociale Rechten (ECSR), de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI), het VN-Mensenrechtencomité en het VN-comité tegen rassendiscriminatie (CERD).

N.B. Tijdens de zitting op 17 februari 2017 is gebleken, dat de brochure, “Werken aan woonwagenlocaties.Handreiking aan gemeenten : Over beleid en Handhaven”, waarin het Rijk de verschillende beleidsvarianten van woonwagenbeleid heeft vastgelegd, inmiddels van de website van het Ministerie van Binnenlandse Zaken is verwijderd. Daarmee erkent de Rijksoverheid impliciet dat het uitsterfbeleid voortaan niet meer door het rijk worden ondersteund of aanbevolen.

Volkshuisvestingsbeleid woonwagenbeleid is zaak van gemeenten.

Het tweede deel van de uitspraak van het College voor de Rechten van de Mens gaat over de vraag of de Rijksoverheid woonwagen-bewoners discrimineert doordat zij geen volkshuisvestingsbeleid voert ten behoeve van woonwagenbewoning. Het CRM stelt vast dat zij niet bevoegd is om te beoordelen of de Minister discrimineert door geen maatregelen te treffen om te zorgen voor standplaatsen. Het zijn gemeenten die beleid en regelgeving voor de huisvesting opstellen en uitvoeren. De Minister maakt zelf geen volkshuisvestingsbeleid meer en neemt in deze sfeer ook geen beslissing. In de brief van het NJCM wordt gesteld dat, de opstelling van de Rijksoverheid wordt gekenmerkt door passiviteit, doordat het geen beleid ontwikkelt/heeft ontwikkeld om het tekort aan woonwagenstandplaatsen op te lossen. Daardoor zijn woonwagenbewoners volledig afhankelijk van gemeenten om een woonwagenstandplaats toegewezen te krijgen. Het is daarom de vraag of de Rijksoverheid voldoet aan het vereiste onder artikel 7a AWGB om ‘een zo gelijkwaardig mogelijk aanbod van woonruimte [te] voorzien voor woonwagenbewoners en voor personen die wachten op een sociale huurwoning. Het Rijk en het College stellen vast dat het volkshuisvestingsbeleid volledig is gedecentraliseerd en is neergelegd bij gemeenten. Zij hebben het beste overzicht en inzicht in de woonsituatie van woonwagenbewoners en zullen een volkshuisvestingsbeleid moeten voeren, waarbij ook recht moet worden gedaan aan de woonwagencultuur.

Tenslotte.

Je kan vaststellen, dat woonwagenbewoners met deze uitspraken in zoverre geholpen zijn, dat het uitsterfbeleid niet langer door overheden gebruikt mag worden bij het vaststellen van het volkshuisvestingsbeleid van woonwagenbewoning. De ondergrens van beleid is daarmee vastgelegd. Overheden mogen niet langer beleid voeren dat erop is gericht om het tekort aan standplaatsen groter te maken. Dat is winst. In 1999 hadden woonwagenbewoners en hun organisaties bij de opheffing van de Woonwagenwet het angstige gevoel, dat sommige gemeenten dit beleid zouden interpreteren als een aanzet tot opheffing van woonwagenbewoning. Met de beleidsaanbeveling van het Rijk in 2006 in “Werken aan Woonwagenlocaties” werd dat gevoel nogeens versterkt en ook bewaarheid door het uitsterfbeleid van een aantal gemeenten in de periode 2006-2016. Met het oordeel van het College is het uitsterfbeleid als beleidsoptie verleden tijd. Voortaan zullen gemeenten gewoon in discussie en overleg met bewoners moeten komen tot een woonwagenbeleid, waarin rekening wordt gehouden met de woonwagencultuur., waarin het wonen in groepsverband in een woonwagen mogelijk moet blijven.

Artikel website Het Wiel.

Ook op de website van het landelijk woonwagennieuws Het Wiel staat een duidelijk artikel over deze uitspraak.

 https://www.hetwiel.info/minister-discrimineert-woonwagenbewoners-vanwege-nuloptie/

Minister discrimineert woonwagenbewoners vanwege ‘nuloptie’

Bijlagen:

Icon of College Rechten Van De Mens  Rijksoverheid Discrimineert Woonwagenbewoners - PILP College Rechten Van De Mens Rijksoverheid Discrimineert Woonwagenbewoners - PILP

 

Icon of Oordeel 2017-15 Minister Binnenlandse Zaken Discrimineert Woonwagenbewonersvereniging Met Beleidsvariant Nuloptie 1 Mei 2017 Kort Oordeel 2017-15 Minister Binnenlandse Zaken Discrimineert Woonwagenbewonersvereniging Met Beleidsvariant Nuloptie 1 Mei 2017 Kort

 

Icon of Oordeel 2017-55 Minister Binnenlandse Zaken Discrimineert Woonwagenbewonersvereniging Met Beleidsvariant Nuloptie 1 Mei 2017 Volledig Oordeel 2017-55 Minister Binnenlandse Zaken Discrimineert Woonwagenbewonersvereniging Met Beleidsvariant Nuloptie 1 Mei 2017 Volledig

 

Icon of Werken Aan Woonwagenlocaties VROM 2007 Werken Aan Woonwagenlocaties VROM 2007

werken_aan_woonwagenlocaties_VROM_2007

woonwagenwijzer7