Media


Honderd Jaar Woonwagenbeleid

Waar zijn de documenten te vinden van de rijksoverheid over woonwagenbewoners en Roma en Sinti?

Alle officiele documenten, zoals verslagen en wetsvoorstellen, van de Tweede Kamer en regering over woonwagenbewoners zijn terug te vinden op twee websites. De stukken van het tijdvak 1814 – 1995 zijn te vinden op de website: www.statengeneraaldigitaal.nl. Als je in het zoekvak bijvoorbeeld de term woonwagen intypt krijg je 2644 hits. De documenten na 1995 zijn terug te vinden op de website www.zoek.officielebekendmakingen.nl

Apart zetten, helpen en verheffen (jaren 60 en 70).vervolg

Tot het eind van de jaren vijftig worden woonwagenbewoners over het algemeen ‘met rust gelaten’. Dan komt er langzaam maar zeker in het woonwagenbeleid meer aandacht voor hun maatschappelijke positie en gaat het beleid zich richten op resocialisatie en het wegwerken van achterstanden. In 1957 staat een kleine wijziging van de Woonwagenwet gemeenten toe om samen een regionaal woonwagenterrein in te richten: een voorbode van de latere grotere regionale kampen.

De Woonwagenwet van 1968 wil het welzijn van de woonwagen bevolking bevorderen en hen als aparte groep met eigen voorzie-  ningen helpen en verheffen. Daartoe komen er zo’n 50 grote regio-  nale kampen met maximaal 70 plaatsen, een beperkt aantal trek-  kersplaatsen en eigen voorzieningen. Standplaatsen buiten de regionale kampen zijn verboden. Wie naar een ander kamp wil, moet eerst informeren of daar wel plaats is. Tegelijkertijd wordt het vergunningenstelsel beperkt: wie in een woonwagen wil gaan wonen, krijgt alleen een standplaats wanneer de ouders ook al in een woonwagen woonden. Dit afstammingsbeginsel is bedoeld om uitbreiding van het aantal standplaatsen tegen te gaan.

In de regionale centra hebben veel woonwagenbewoners voor het eerst elektriciteit, water en een wc die is aangesloten op de riolering. En een eigen maatschappelijk werker, gezondheidszorg en recreatie. Ook krijgt ieder centrum een eigen lagere school. Begin jaren zeventig worden de woonwagenbewoners – zo nodig met dwang – overgebracht van de kleine naar de grote centra. De mogelijkheden om te trekken worden sterk beperkt, waardoor de bestaande sociale contacten en vertrouwde broodwinning abrupt worden verbroken.  Door de heftige concurrentie op één plek nemen de handelsmogelijkheden sterk af. Het leven van de bewoners speelt zich voornamelijk af rond de eigen kerk, feestzaal, sportzaal en dokterspost. Het niveau van de school voor buitengewoon lager onderwijs blijkt niet aan te sluiten op het gewone vervolgonderwijs.

Deconcentratie en decategorialisatie (jaren 80)

Halverwege de jaren zeventig – nog geen tien jaar na de start van het concentratiebeleid – stelt Nota Woonwagenbeleid 1975 van het Rijk vast dat dit niet werkt. De scholen op de centra worden opgeheven en er volgt een meer individuele benadering. In 1983 wordt de Motie van het kamerlid van Ooijen aangenomen, waarin wordt bepaald, dat regionale woonwagencentra die niet in of bij de wijk liggen met voorzieningen liggen moeten worden opgeheven en als ze re groot zijn geworden moeten worden verkleind.In 1991 wordt de beleidsnota Wetgeving Wonen Op Een Standplaats In De Jaren Negentig 1991 door de Tweede Kamer aangenomen. Daarin wordt besloten dat alle aparte regels en wetten voor woonwagenbewoners beetje bij beetje zullen worden afgeschaft. Uitgangspunt van beleid wordt dat woonwagenbewoners moeten worden behandeld als ‘gewone burgers’. Een wijziging van de Woonwagenwet verplicht iedere gemeente – opnieuw – om kleine centra in te richten van maximaal 15 stand-plaatsen. Dicht tegen de bebouwde kom om de integratie te bevorderen.

Afschaffing Woonwagenwet 1999

Als de Woonwagenwet in 1999 wordt afgeschaft, bestaan woonwagenbewoners wettelijk niet meer als aparte categorie. Het afstammingsbeginsel wordt geschrapt, waardoor ook ‘burgers’ in aanmerking komen voor een standplaats. Voortaan zijn woonwagenbewoners geen aparte huisvestingsdoelgroep meer. De huur van een woonwagen valt onder het algemeen huurrecht en net als bij andere woningzoekenden met een lager inkomen is er voor woonwagenbewoners de mogelijkheid tot koopsubsidie. In 2008 is volgens het ministerie van VROM 70 tot 80 procent van de woonwagens eigendom van de bewoner. De verkoop van standplaatsen verloopt minder vlot: van de ruim 8.000 standplaatsen in Nederland is nog maar een fractie verkocht. Op onderdelen verloopt de gelijkstelling minder soepel. Zo krijgen woonwagenbewoners soms geen hypotheek of verzekering en soms alleen tegen hogere tarieven en een beperkte dekking.

radar