Media


Woonwagenbewoners komen in actie met demonstraties en brieven aan de gemeenteraad.

Demonstraties en bezettingen

Overal in het land roeren woonwagenbewoners zich. In meer dan 40 gemeenten nemen standplaatszoekende woonwagenbewoners, soms met hele families met hun caravans standplaats in op braakliggende terreinen, voormalige woonwagenlocaties of parkeerplaatsen. Deze acties riepen in eerste instantie bij gemeenten de nodige weerstanden op. Nadat de rechter in Spijkenisse had geoordeeld, dat het tijdelijk innemen van een standplaats toegestaan was mits het bedoeld was als demonstratie om aandacht te vragen voor de standplaatsen-problematiek, ging de druk wat van de ketel. Voor elke Nederlander geldt dat vrijheid van betoging of demonstratie en meningsuiting grondrechten zijn.Meer_woonwagenvakken

De aanleiding voor deze plotselinge en voor gemeenten onverwachte actiebereidheid van woonwagenbewoners heeft te maken met o.a. het tijdstip 12 juli 2018, waarop het nieuwe “Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid” van het ministerie van Binnenlandse Zaken  naar de Tweede kamer is gestuurd. De inhoud van dit beleidskader is op zich heel bijzonder, omdat hierin de rijksoverheid een draai van 180 graden maakt met betrekking tot haar rol en positie ten opzichte van gemeenten in het debat en beleid rond de huisvestingsproblematiek van woonwagenbewoners. Het Rijk geeft duidelijke signalen af, dat het uitsterfbeleid door gemeenten niet meer toegestaan is. Minister Ollongren roept in haar brief de gemeenten op om in overleg met woonwagenbewoners actief onderzoek te doen naar de behoefte aan standplaatsen en vervolgens om samen met de woningbouw-corporaties deze behoefte en de planning van nieuwe standplaatsen op te nemen in een woonvisie en vast te leggen in prestatieafspraken.

Koerswijziging in gemeenten gaat trager dan gedacht.

Deze koerswijziging is uitvoerig gedeeld met woonwagenbewoners via tv, de sociale media en de landelijke en regionale kranten. Na zoveel jaren van ontkenning en negeren van hun problemen gloorde er weer hoop aan de horizon en keken bewoners vol verwachting of er in hun gemeente iets zou gaan veranderen.

Echter de publicatie van het beleidskader op 12 juli vond plaats vlak voor de zomervakanties van gemeenten, tussen 7 juli en 2 september 2018, waardoor de brief van de minister over het nieuwe woonwagenbeleid pas in de loop van september op de agenda kwam van de colleges van B & W, terwijl de bespreking in de gemeenteraden pas in oktober ,november of nog later aan de orde kan komen.

Veel bewoners, die net als veel andere inwoners in de stad, vaak onbekend zijn hoe de gemeenteraad en B & W werken en beslissen over allerlei zaken,  waren bang dat gemeenten niets met het nieuwe beleid zouden doen en hebben gebruik gemaakt van hun recht om te demonstreren. En wat kan je dan beter doen, dan wat in je aard zit en deel uitmaakt van de woonwagencultuur, namelijk protesteren met de woonwagen of met de light variant de caravan.Zwolse_woonwagendeskundige

De geschiedenis herhaalt zich zou je kunnen zeggen  Vroeger in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, toen er ook al een groot standplaatsentekort was  deden de ouders of grootouders iets vergelijkbaars. Ook zij gingen buiten het officiële woonwagencentrum staan, maar konden toen gebruik maken van een apart artikel 10 in de woonwagenwet, die Burgemeester en Wethouders de bevoegdheid gaf om bewoners een ontheffing te verlenen om buiten dat centrum ergens anders in de gemeente te staan.

Behandeling van het Beleidskader in vaste commissie Binnenlandse Zaken op 18 oktober.

Er waren veel woonwagenbewoners komen opdagen tijdens deze commissie over het Beleidskader woonwagenbeleid met minister Ollongren. Voorafgaande aan de vergadering heeft minister Ollongren nog een brief gestuurd aan de Tweede Kamer, waarin zij stelt dat het niet de bedoeling is dat woonwagenbewoners het recht in eigen handen moeten nemen, door alvast illegaal zonder toestemming en vergunning zich op een standplaats vestigen. Natuurlijk vindt zij het wel toegestaan, dat woonwagenbewoners demonstreren voor hun zaak. Er werden met name door kamerlid Ronnes van het CDA vragen gesteld over de bezettingsacties, de inname van illegale standplaatsen door woonwagenbewoners, waarover met name de burgemeesters uit Limburg, Zeeland-West, Brabant en Oost-Brabant met de minister in gesprek wilden gaan. Vanuit die kant werd weer gewezen op de  gelijktijdige aanpak van zware en ondermijnende criminaliteit. Probleem met die invalshoek is, dat net als in de voorgaande 10 jaar toen vooral het ministerie van Justitie zich bemoeide met woonwagenbeleid er niets gedaan is aan de huisvestingsproblematiek van woonwagenbewoners, waardoor de achterstand aan standplaatsen is toegenomen en verbetering van de woonkwaliteit is achtergebleven. De partijen in de Tweede kamer onderschreven allemaal de uitgangspunten van het nieuwe beleidskader, maar zetten wel vraagtekens bij die acties, waar standplaatsen of grond geclaimd worden. De minister gaf aan dat de gemeenten vooral in gesprek moeten gaan, de dialoog moeten aangaan met woonwagenbewoners en vraagt bewoners er rekening mee te houden, dat besluiten nemen in een gemeente nu eenmaal de nodige tijd vragen.

Belangrijke vervolgstap: De brief aan de gemeenteraad.

Naar aanleiding van de demonstratie-acties en de media-aandacht volgt er vaak een gesprek met de verantwoordelijke wethouder. Daar wordt door bewoners informatie gegeven over de nood aan standplaatsen en wordt gevraagd of de gemeente dit gaat oppakken zoals in het beleidskader door het Rijk wordt voorgesteld. De wethouder legt meestal uit wat op dat moment de plannen zijn van de gemeente en vraagt begrip voor het feit dat verandering van het woonwagenbeleid de nodige tijd kost binnen de gemeente. Er moet onderzoek worden gedaan, een commissie van de gemeenteraad moet er over discussiëren, er moet met woonbewoners gepraat worden over hun ideeën en met de woningbouwcorporaties of en hoe ze willen meewerken.mensenrechten

Het is in dit hele proces belangrijk dat je als bewonersgroep een duidelijke brief aan de gemeenteraad schrijft, mag ook per email, waarin staat dat je als families, familiegroep wilt dat er standplaatsen worden bijgebouwd in de gemeente.

Voorbeeldbrief

Hieronder staat een voorbeeld van zo’n brief, die je kan downloaden. Je moet de adresgegevens van de gemeente invullen , de datum, de naam van de familiegroep( of meerdere) en onder aan de brief de namen en adresgegevens invullen van de persoon, vervolgens een handtekening zetten en de brief per post (aangetekend)naar de gemeente sturen, afgeven met ontvangsbebvestiging of per email.

U kunt het de volgende documenten hieronder downloaden:

Voorbeeldbrief aanvraag standplaatsen aan gemeenteraad: Icon of Brief Aan Gemeenteraad Over Woonwagenstandplaatsen Brief Aan Gemeenteraad Over Woonwagenstandplaatsen

Rapportage Woonwagenstandplaatsen in Nederland 2018:  Icon of Woonwagenstandplaatsen In Nederland 16 Oktober 2018 Woonwagenstandplaatsen In Nederland 16 Oktober 2018

Ingekort verslag Kamercommissie behandeling Beleidskader 18 oktober 2018:  Icon of Ingekort Verslag Concept Woonaangelegenheden Tweede Kamer 18 Oktober 2018 Ingekort Verslag Concept Woonaangelegenheden Tweede Kamer 18 Oktober 2018

Brief Ollongren Nulmeting standplaatsen en acties 12 oktober 2018:  Icon of Brief Ollongren Nulmeting Standplaatsen En Acties Woonwagenbewoners Brief Ollongren Nulmeting Standplaatsen En Acties Woonwagenbewoners

Brief Ollongren Kamervragen over kraken standplaatsen:  Icon of Antwoord Ollongren Vragen Kraken Standplaatsen Beleidskader 24 Oktober 2018 Antwoord Ollongren Vragen Kraken Standplaatsen Beleidskader 24 Oktober 2018

12 juli 2018

Historische dag voor woonwagenbewoners. Rijksoverheid verbiedt uitsterfbeleid.

Gemeenten mogen niet langer een zogeheten ‘uitsterfbeleid’ (nul-optiebeleid) of afbouwbeleid voeren dat is gericht op vermindering van het aantal woonwagenstandplaatsen. Dat is wat het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt in het ” Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid” . Gemeenten wordt gevraagd de behoefte aan standplaatsen te onderzoeken.

foto’s Marcel Bergema, Bram van Duinen

Aanbieding Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid.

Op donderdag 12 juli 2018 is tijdens een feestelijke bijeenkomst op het ministerie van Binnenlandse Zaken door Secretaris- generaal Maarten Schurink namens minister Ollongren het nieuwe beleidskader aangeboden aan de Nationale Ombudsman Reinier van Zutphen. Naast vertegenwoordigers van gemeenten, VNG, IPO en Aedes, medewerkers van het ministerie van BZK, het College voor de Rechten van de Mens, waren organisaties van woonwagenbewoners, Roma en Sinti en belangenbehartigers die een bijdrage hebben geleverd uitgenodigd. Helaas kon Jelle Klaas, de coördinator en trekker van het dossier uitsterfbeleid bij PILP niet aanwezig. Op de groepsfoto ziet u Sabina Achterbergh van de Vereniging Sinti Roma Woonwagenbewoners Nederland (VSRWN), Paula Bloemers, Annie Mirosch en Doet Kallenkoot van Travellers United Nederland (TUN), Piet van Assendorp en Cees Groenendaal van de Vereniging Behoud Woonwagencultuur Nederland, Beike Steinbach van Olungodrom, Leonie Huijbers van PILP, adviseur woonwagenbeleid Jan Pieter Janse, adviseur woonwagenbeleid-website woonwagenwijzer en bestuurslid van Het Wiel Bram van Duinen, consulent Roma, Sinti en Travellers Peter Jorna, Vital Moors en Frenk Wiersma van het ministerie van BZK en anderen. Spijtig genoeg konden de twee actievoerders Jan Schneider ook bekend als Klompen Jan en Tom de Booij deze omslag in Rijksbeleid niet meer meemaken.

Een historische dag voor woonwagenbewoners, Roma en Sinti.

Donderdag 12 juli 2018 is net als de opheffing van de Woonwagenwet in maart 1999 met recht een historische dag voor woonwagenbewoners, Roma en Sinti in Nederland. De Rijksoverheid staat niet langer met de rug naar woonwagenbewoners toe, zoals dat sinds 2003 het geval was toen het Rijk zelf het uitsterfbeleid als beleidsoptie voor gemeenten heeft voorgesteld. Niet alleen is het uitsterfbeleid van gemeenten in de ban gedaan, maar ook is er weer hoop voor jongeren en voor woonwagenbewoners die in de afgelopen jaren noodgedwongen in een huis zijn komen te wonen, ook wel spijtoptanten genoemd in ambtelijke taal, dat er ook voor hen weer een toekomst is op een woonwagenlocatie. Gemakkelijk zal het lang niet in alle gemeenten gaan, maar je kan als woonwagenbewoner met dit Beleidskader in de hand bij gemeenten aankloppen bij de gemeenteraad en bij Burgemeester en Wethouders en aandacht vragen voor de behoefte aan standplaatsen. Het is daarmee misschien ook wel een voorbeeld voor landen in Europa, waar de erkenning van de woonwagencultuur ook niet altijd vanzelfsprekend is.

Wat is de nieuwe visie van het Rijk op het woonwagenbeleid.

In de brief  die minister Ollongren op 12 juli 2018 aan de Tweede kamer heeft gestuurd “Aanbieding beleidskader voor gemeentelijk standplaatsenbeleid”  schrijft zij dat de visie die ten grondslag ligt aan dit nieuwe beleidskader heeft als kern inzake huisvesting het beschermen van Roma, Sinti, woonwagenbewoners, waaronder ook circusartiesten en kermisreizigers, tegen discriminatie, het waarborgen van hun (culturele) rechten en het bieden van rechtszekerheid en duidelijkheid. Het Rijk volgt daarmee in veel gevallen het advies  over een vijftal belangrijke onderwerpen, dat het College voor de Rechten van de Mens op 23 april 2018 aan het ministerie heeft uitgebracht.Concreet betekent dit:

  • De gemeente stelt het beleid voor woonwagens en standplaatsen vast als onderdeel van het volkshuisvestingsbeleid;
  • Het beleid dient voldoende rekening te houden met en ruimte te geven voor het woonwagenleven van woonwagenbewoners;
  • De behoefte aan standplaatsen moet in kaart worden gebracht;
  • Corporaties voorzien in de huisvesting van woonwagenbewoners voor zover deze tot de doelgroep behoren;
  • De afbouw van standplaatsen is niet toegestaan (behoudens uitzonderlijke omstandigheden) zolang er behoefte is aan standplaatsen;
  • Een woningzoekende Roma, Sinti of woonwagenbewoner die dit wenst, moet binnen redelijke termijn kans maken op een standplaats.

Zij schrijft verder dat het voor zich spreekt voor zich spreekt dat het opschrijven van een dergelijke visie niet de huisvestingsproblemen van woonwagenbewoners oplost. Echter zij verwacht wel dat hiermee een aanzet is gegeven om op lokaal niveau, daar waar nodig, het beleid met betrekking tot woonwagens en standplaatsen te herzien en in overeenstemming te brengen met de visie en het mensenrechtelijk kader zoals die in bijgaande beleidskader zijn opgenomen. Ook heeft zij opdracht gegeven om de ontwikkeling van standplaatsen in Nederland te monitoren, zodat duidelijk wordt of gemeenten wel meewerken aan het nieuwe beleid. Het onderzoek is inmiddels in volle gang.


Wat staat er in deze nota woonwagenbeleid.

Het voert te ver om in dit kader alle informatie in deze nota weer te geven. In hoofdstuk 3. Achtergrond woonwagenbewoners en beleid wordt  kort ingegaan op het huisvestingsbeleid van woonwagenbewoners. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4. Mensenrechten en woonwagenbewoners uitvoerig aan de hand van uitspraken en verdragen van verschillende Europese en Nederlandse  rechtsinstanties  uitgelegd welke mensenrechten van toepassing zijn op de situatie van woonwagenbewoners, Roma en Sinti. Behandeld worden: Het recht op huisvesting, Het recht op eerbiediging van prive-,familie- en gezinsleven en Het recht op gelijke behandeling. Vervolgens wordt vastgesteld,  wat deze rechten betekenen voor  het gemeentelijke woonwagenbeleid. Niet alleen voor familiegroepen, maar ook voor individuele besluiten.

De conclusie van dit hoofdstuk luidt : De mensenrechten hebben invloed op de beleidsvrijheid die een gemeente heeft bij het ontwikkelen en uitvoeren van woonwagenbeleid. Samenvattend komt het erop neer dat een gemeente rekening houdt in zijn woonbeleid met de specifieke woonbehoefte van woonwagenbewoners en voorziet in voldoende standplaatsen, zodat woonwagenbewoners binnen een redelijke termijn een standplaats kunnen krijgen. Zo mogelijk wordt tegemoet gekomen aan de wens om in familieverband samen te leven. Ook bij individuele beslissingen dient rekening gehouden te worden met de mensenrechten van de woonwagenbewoners.

In hoofdstuk 5.Bouwstenen voor beleid wordt uitgebreid de nieuwe visie op woonwagenbeleid uitgelegd.( zie hierboven). Er wordt ook aandacht besteedt aan  de rolverdeling tussen de overheden het Rijk, de provincie en de gemeente bij de uitvoering en controle van het woonwagenbeleid.

Het Rijk bewaakt de ontwikkeling van het aantal standplaatsen en de nakoming van internationale (mensenrechten-)verdragen. Zij zal blijvend investeren in een goede relatie met vertegenwoordigers van woonwagenbewoners, Roma en Sinti.  Het Rijk houdt ook toezicht op de provincies..

De provincie.De provincies houden toezicht op gemeenten bij bepaalde zaken m.b.t huisvesting van woonwagenbewoners. Bijvoorbeeld bij inventarisatie van de behoefte aan standplaatsen, vaststellen van bestemmingsplannen.

De gemeente is verantwoordelijk voor het lokale woonbeleid, neergelegd in een woonvisie. . Het bouwen en verhuren van woonwagen-standplaatsen wordt gedaan door woningcorporaties. De gemeente is natuurlijk wel verantwoordelijk voor de ruimtelijke ordeningskant van het standplaatsenbeleid. 

Verder wordt bij 5.3 Vraag, het inventariseren van de woonbehoefte  ingegaan hoe een gemeente de woonbehoefte van woonwagenbewoners kan inventariseren door b.v. te werken met wachtlijsten, vaststellen van toewijzingscriteria, wel of niet opnieuw gebruik maken van het afstammingsbeginsel en niet onbelangrijk door het betrekken van woonwagenbewoners bij het onderzoek.

Bij het onderdeel 5.4.Aanbod wordt aandacht besteedt hoeveel standplaatsen een gemeente zou moeten aanleggen. Ook dat een gemeente er rekening moet houden, dat families bij elkaar willen wonen. Ook hoe je om kan gaan met huur- of koop standplaatsen .

Bij 5.5 Opnemen in woonvisie en prestatieafspraken wordt voorgesteld dat om de afstemming van vraag en aanbod in goed overleg met woonwagenbewoners vast te leggen in een woonvisie. Het Rijk vindt het wenselijk dat de gemeente in de woonvisie beschrijft welke rol zij zelf wil (blijven) vervullen ten aanzien van het voorzien in huisvesting voor woonwagenbewoners die willen wonen in een woonwagen. Voor woonwagenbewoners die qua inkomen behoren tot de primaire doelgroep van de woningcorporaties ligt de verantwoordelijkheid bij woningcorporaties. Zij moeten voorzien in voldoende huurwoonwagens en -standplaatsen. Voor andere woonwagenbewoners verplicht het mensenrechtelijk kader dat de gemeente aanvullende maatregelen treft om te voorzien in voldoende (koop-)standplaatsen. 

In 5.6 Beheer en exploitatie komt de verdeling van het beheer en exploitatie van standplaatsen tussen gemeente, woningcorporatie of externe bureau’s zoals Nijbodt aan de orde. In alle gevallen zouden bewoners inspraak moeten krijgen over zaken m.b.t. hun woonwagenlocatie en het woonwagenbeleid.Het voorstel is om te bevorderen dat bewoners huurdersorganisaties gaan oprichten.

Bij onderdeel 5.7 Toewijzing van standplaatsen en/of woonwagen .Bij de toewijzing van een standplaats is het gewenst om rekening te houden om in familieverband te kunnen samenleven, waarbij voorrang verleend kan worden: volwassen kinderen (op volgorde van leeftijd) van de zelfde locatie die nog bij hun ouders wonen en eerstegraads familieleden van bewoners van de locatie.

Tenslotte wordt bij 5.8 Communicatie er op gewezen dat het van het grootste belang is om een goede vertrouwensband op te bouwen met woonwagenbewoners, door altijd goed met elkaar te communiceren.


U kunt het de volgende documenten hieronder downloaden:

Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid 12 juli 2018: Icon of Beleidskader-gemeentelijk-woonwagen-en-standplaatsenbeleid 12 Juli 2018 Beleidskader-gemeentelijk-woonwagen-en-standplaatsenbeleid 12 Juli 2018

Aanbiedingsbrief Tweede Kamer Minister Ollongren :Icon of Aanbiedingsbrief-bij-het-rapport-'-beleidskader-voor-gemeentelijk-standplaatsenbeleid'-en-het-'advies-inzake-woonwagen-en-standplaatsenbeleid' (1) Aanbiedingsbrief-bij-het-rapport-'-beleidskader-voor-gemeentelijk-standplaatsenbeleid'-en-het-'advies-inzake-woonwagen-en-standplaatsenbeleid' (1)

Advies College voor de Rechten van de Mens: Icon of CRM Advies-inzake-woonwagen-en-standplaatsenbeleid CRM Advies-inzake-woonwagen-en-standplaatsenbeleid

Als u op de website het Beleidskader wilt lezen, dan kunt u de volgende weblink aanklikken : bit.ly/Beleidskader2018

Advies College versterkt mensenrechten van woonwagenbewoners

Gemeenten mogen niet langer een zogeheten ‘uitsterfbeleid’ (nul-optiebeleid) of afbouwbeleid voeren dat is gericht op vermindering van het aantal woonwagenstandplaatsen. Dat is wat het Ministerie van Binnenlandse Zaken voor ogen heeft met de nieuwe handreiking voor het gemeentelijk woonwagenstandplaatsenbeleid. Deze handreiking wordt binnenkort openbaar. In zijn advies aan het ministerie heeft het College het mensenrechtelijk kader beschreven en uitgelegd wat dat in de praktijk betekent, voor gemeenten, woningcorporaties en het Rijk. Dit advies is grotendeels overgenomen. Op de website van het College wordt in het nieuwsbericht van 23 april ” Advies College versterkt mensenrechten van woonwagenbewoners” op een duidelijke manier uitgelegd wat het advies inhoudt.

een duidelijke manier

Advies van het College

Leven in een woonwagen is een essentieel onderdeel van de cultuur van Roma, Sinti en woonwagenbewoners. En juist deze cultuur wordt door mensenrechten beschermd, zo heeft onder meer het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bepaald. In zijn advies  wijst het College erop dat het Rijk, lokale overheden en woningcorporaties verplicht zijn om de cultuur van woonwagenbewoners niet alleen te beschermen, maar ook te faciliteren.

Het advies vloeit voort uit de oordelen die het College sinds 2014 heeft uitgebracht over het woonwagenstandplaatsenbeleid van verschillende gemeenten en corporaties. In 20 van de 36 gevallen concludeerde het College dat sprake is van discriminerend beleid of handelen. Na verschijning van het onderzoeksrapport ‘Woonwagenbewoner zoekt standplaats van de Nationale Ombudsman in 2017, met de aanbeveling het standplaatsenbeleid “mensenrechtenproof” te maken, heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken het College gevraagd hoe het standplaatsenbeleid in overeenstemming kan worden gebracht met de de gelijkebehandelingswetgeving en geldende mensenrechtelijke normen. Daarnaast heeft het College gesprekken gevoerd met verschillende woonwagenbewonersorganisaties. Deze ervaringen met het beleid van gemeenten en woningcorporaties zijn verwerkt in het advies waarin de volgende punten zijn opgenomen:

  • Gemeenten moeten bij het huisvestingsbeleid voortaan rekening houden met de woonbehoeften van woonwagenbewoners;
  • Om de woonwagencultuur te beschermen en te faciliteren, moeten Rijk en lokale overheden allereerst de woonbehoeften van woonwagenbewoners in kaart brengen (net als in de sociale huursector);
  • Al naar gelang de behoefte, moeten gemeenten en corporaties zorgen voor voldoende standplaatsen die het leven in familieverband mogelijk maken; gemeenten en corporaties moeten zorgen voor een gemengde locatie met een goede mix van huur- en koopwagens;
  • Gemeenten moeten een wachtlijst voor standplaatsen openstellen die toegankelijk en transparant is;
  • De wachttijd voor een standplaats voor woonwagenbewoners moet gelijke tred houden met de wachttijd van mensen die op de wachtlijst staan voor een sociale huurwoning. Ook woonwagenbewoners moeten reëel uitzicht hebben op een standplaats;
  • Zolang er schaarste aan standplaatsen is, krijgen ingeschreven woonwagenbewoners van wie de (groot)ouders in een woonwagen wonen of woonden, bij de toewijzing van een plaats voorrang op andere ingeschrevenen;
  • Open communicatie, raadpleging en participatie van woonwagenbewoners zelf is essentieel bij beleidvorming en uitvoering.

Wat mensenrechten zeggen

Het nul-optie- en afbouwbeleid dat sommige gemeenten hanteerden of nog steeds hanteren, dat is gericht op vermindering van het – toch al schaarse – aantal standplaatsen, tast de woonwagencultuur in de kern aan. Leven in een woonwagen is namelijk een essentieel onderdeel van de cultuur van Roma, Sinti en woonwagenbewoners. En juist deze cultuur wordt door mensenrechten beschermd, zo heeft onder meer het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bepaald. Beleid dat als gevolg heeft dat steeds minder mensen in woonwagens kunnen wonen en de woonwagencultuur uiteindelijk verdwijnt, is hiermee in strijd. Dat geldt ook voor het handelen van woningcorporaties. Zij hebben een eigen wettelijke verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat het aanbod van woonwagens en standplaatsen op peil blijft, vergelijkbaar met het aanbod van sociale huurwoningen. Alle vormen van beleid die afname van het aantal standplaatsen en woonwagens beogen terwijl er wel behoefte aan is, zijn strijdig met het discriminatieverbod en de mensenrechten van woonwagenbewoners.

Geen vrijblijvend beleid

De nieuwe handreiking voor gemeenten is een goed begin. Nu komt het aan op de implementatie van dit beleid. Meerdere gemeenten zijn hiermee al aan de slag gegaan. Het Rijk heeft hierbij als eindverantwoordelijke, een belangrijke rol. Om ervoor te zorgen dat gemeenten en woningcorporaties hun beleid in overeenstemming brengen met de handreiking, gaat het Rijk het mensenrechtelijk kader uitdragen en de ontwikkeling van het aantal standplaatsen monitoren. Daarnaast is het de taak van het Rijk ook toezicht te houden op de implementatie en op effectieve handhaving.


Commentaar

Voor de zomer komt het Ministerie van Binnenlandse Zaken met een nieuwe Handreiking voor het gemeentelijke woonwagen- en standplaatsenbeleid. De meeste adviezen in deze brief  van het College voor de Rechten van de mens aan minister Ollengren worden opgenomen in het nieuwe Rijksbeleid voor woonwagenbewoners. Aan gemeenten is het dan niet meer toegestaan om elke vorm van uitsterfbeleid toe te passen. Bij het woonbeleid voor woonwagenbewoners in gemeenten, zoals dat wordt vastgelegd in woonvisie, is het de bedoeling dat bewoners het recht hebben om in familie- groepsverband bij elkaar te wonen op een woonwagenlocatie in een woonwagen. Dat betekent dat van gemeenten en woningcorporaties bij de aanleg of renovatie van woonwagenlocaties wordt verwacht dat zij in goed overleg met bewoners waar nodig (huur)woonwagens  gaan plaatsen.

Een belangrijke aanbeveling is dat gemeenten bij de aanleg van een woonwagenlocatie, behalve dat zij voldoende standplaatsen aanlegt, er ook rekening mee houden dat er een bij de familiegroep passende mix aan koop- en huurstandplaatsen worden aangelegd. Daarmee kunnen gezinnen met verschillende inkomens in een huur- of eigen woonwagen toch bij elkaar wonen.

Ook bepleit het College dat gemeenten de eigendomsrechten van woonwagenbewoners gaan respecteren. Het komt met enige regelmaat voor, dat een gemeente besluit om tegen de wens van bewoners om een woonwagenlocatie te verplaatsen of (op termijn) op te heffen, waardoor woonwagens die eigendom zijn van een bewoner en meestal met spaargeld zijn gefinancierd  aanzienlijk in waarde dalen. Bewoners krijgen over het algemeen een vergoeding voor een eventueel transport, maar worden niet gecompenseerd voor de waardedaling van de woonwagen. Het komt voor dat de gemeente de woonwagens vernietigd of dat een bewoner zelf noodgedwongen een woonwagen naar de sloop afvoert, omdat hij anders hoge sloop-en transportkosten van de gemeente moet voldoen.


Download de brief van het College voor de Rechten van de Mens: Icon of Advies Aan Minister Van Binnenlandse Zaken En Koninkrijksrelaties Inzake Woonwagen- En Standplaatsenbeleid Advies Aan Minister Van Binnenlandse Zaken En Koninkrijksrelaties Inzake Woonwagen- En Standplaatsenbeleid

Nationale ombudsman: nog steeds zorgen over nieuw standplaatsenbeleid


In het rapport ‘Woonwagenbewoner zoekt standplaats’ liet de Nationale ombudsman weten dat de door internationale verdragen erkende en beschermde (woonwagen)cultuur het noodzakelijk maakt met een andere bril naar standplaatsenbeleid te kijken. Aandacht voor de behoeften van woonwagenbewoners is niet vrijblijvend, maar heeft een mensenrechtelijke basis. Niet alle gemeenten zijn zich daarvan voldoende bewust. Zij handelen daardoor niet betrouwbaar in het borgen van de woonwagencultuur. De ombudsman gaf aan dat het kabinet het voortouw moet nemen en zorgen voor een regie voerend ministerie.

In de afgelopen tijd hebben gemeenten reacties gegeven op het rapport en zijn aanbevelingen. In een brief aan minister Ollongren geeft de ombudsman inzicht in deze reacties en een aantal punten van aandacht.

Reinier van Zutphen: “De Rijksoverheid zet belangrijke stappen om de aanbevelingen uit mijn rapport op te volgen, in de eerste plaats door een handreiking te ontwikkelen dat als kader voor gemeentelijk standplaatsenbeleid kan dienen. Het komt er nu op aan dit geen papieren realiteit te laten zijn. De reacties van gemeenten geven blijk van een grote verscheidenheid aan praktijken en opvattingen over het omgaan met woonwagenbewoners binnen de eigen gemeente. Een nieuw standplaatsenbeleid vergt daarom maatwerk voor situaties waarin de handreiking niet altijd kan voorzien. De Rijksoverheid moet daarom zijn regierol blijven nemen om gemeenten hierin te kunnen ondersteunen.”

Reacties van gemeenten

Van de gemeenten die een reactie gaven, stemt ongeveer twee derde in met de kernboodschap van het rapport: het recht doen aan de culturele identiteit van woonwagenbewoners door middel van een passend standplaatsenbeleid. Dit betekent niet dat alle gemeenten de aanbevelingen uit het rapport zullen opvolgen. Een deel van deze gemeenten geeft aan de aanbevelingen uit het rapport niet nodig te hebben: zij zijn al jaren bezig met het herijken van de relatie met hun woonwagenbewoners en het herontwikkelen van de woonwagenlocaties. Een ander deel van de gemeenten is hiermee nog maar recent gestart en wil het rapport benutten voor het heroverwegen van het standplaatsenbeleid.

De gemeenten die niet expliciet instemmen met het rapport, gaven uiteenlopende reacties: een deel wacht de reactie van de Rijksoverheid af, maar kiest er tegelijkertijd voor geen enkel standpunt in te nemen over het rapport. Andere gemeenten geven aan dat de aanbevelingen voor hen niet relevant zijn, bijvoorbeeld omdat zij de wooncorporaties verantwoordelijk achten voor het realiseren van de woonwensen van woonwagenbewoners of omdat zij hun woonwagenlocaties in de afgelopen jaren al opgeheven hebben. Weer andere gemeenten geven expliciet aan dat zij geen nul-optiebeleid voeren, maar evenmin het aantal standplaatsen zullen uitbreiden, ook wanneer hieraan wel behoefte zou zijn.

Tot slot zijn er diverse gemeenten die met de (meeste) aanbevelingen uit het rapport expliciet niet instemmen.

Punten van aandacht Rijksoverheid

Op basis van de reacties van gemeenten signaleert de ombudsman een aantal punten van aandacht voor de Rijksoverheid.

  1. Het mensenrechtenkader. Uit diverse reacties blijkt onvoldoende en soms zelfs onjuist begrip van het mensenrechtenkader en hoe dit toegepast wordt op de woonsituatie van de woonwagenbewoners.
  2. Doelgroepenbeleid. Sommige gemeenten zien een spanning tussen de bijzondere behandeling van de woonwensen van woonwagenbewoners enerzijds en anderzijds het landelijke beleid dat niet in een doelgroepenbeleid voorziet. De Nationale ombudsman is van mening dat het mensenrechtenkader prevaleert boven beleidsmatige keuzes over het wel of niet voeren van een doelgroepenbeleid.
  3. Uitbreiding van standplaatsen. Diverse gemeenten vroegen aandacht voor het probleem om binnen hun gemeentelijke grenzen nieuwe woonwagenlocaties te ontwikkelen.
  4. Afstammingsbeginsel. Gemeenten gaan hier wisselend mee om. Eén gemeente geeft aan het afstammingsbeginsel te respecteren ook al is dit met de afschaffing van de Woonwagenwet in 1999 komen te vervallen. Een andere gemeente merkt juist op dat het lastig is om de behoefte aan standplaatsen en woonwensen goed in kaart te brengen. Omdat de gemeente niet kan vaststellen of iemand een culturele identiteit als woonwagenbewoner heeft.

Commentaar

In de brief maakt de Ombudsman ook melding van het feit dat hij na het uitkomen van zijn onderzoek nog 100 klachten van woonwagenbewoners heeft ontvangen over de manier waarop gemeenten hen behandelen. Hij merkt op dat in de eerste plaats het standplaatsentekort zal moeten weggewerkt. Hij denkt dat de rijksoverheid om dat te bereiken, niet alleen een nieuwe handreiking voor gemeenten moet uitbrengen, maar ook extra inspanningen zal moeten leveren naar gemeenten en woningcorporaties om hen zover te krijgen. Als het de overheid lukt – de Rijksoverheid samen met gemeenten – om de komende jaren deze zorg weg te nemen, dan verwacht hij dat vervolgens ook de andere zorgen meer op de voorgrond zullen treden: die over de kwaliteit van hun woonwagens, de problemen om deze woonwagens te financieren en te verzekeren en, uiteindelijk, ook onderliggende problematiek van discriminatie bij het verkrijgen van stages en werk. Hij is van mening dat een overheid  zich niet alleen kan beperken tot het wonen, maar ook aandacht moet schenken aan problemen die woonwagenbewoners ondervinden in het onderwijs en werkgelegenheid.

De brief van de nationale Ombudsman is hier te downloaden:  Icon of Brief Aan Minister BZK Inzake Opvolging Aanbevelingen Standplaatsenbeleid Woonwagens 23 April 2018 Brief Aan Minister BZK Inzake Opvolging Aanbevelingen Standplaatsenbeleid Woonwagens 23 April 2018

Woonwagenbewoners worden weer gehoord door de Rijksoverheid.

De afgelopen maand november van 2017 hebben woonwagen-bewoners, Roma en Sinti bij verschillende gelegenheden  op de deur geklopt van de Rijksoverheid. En tot ieders verrassing werd de deur niet alleen open gedaan, maar werd men ook op koffie genodigd. Er werd geluisterd naar de klachten over het uitsterfbeleid van gemeenten, de discriminatie en het tekort aan standplaatsen. En tot ieders verbazing kondigden de vertegenwoordigers van de overheid ook nog aan, dat de Rijksoverheid actief stappen gaat ondernemen om gemeenten te overtuigen dat zij hun discriminerende  standplaatsen- beleid moeten omvormen naar een beleid dat in overeenstemming is met mensenrechtenverdragen.

Waarom verandering van het Rijksbeleid.

In eerste plaats is de veroordeling door het College voor de Rechten van de Mens ( CvRM) van het discriminatoire karakter van Rijksbeleid in de Handreiking voor gemeenten “ Werken aan woonwagenlocaties “ uit 2006, de trigger geweest om na te denken over een ander beleid. Nadat ook de Nationale Ombudsman Reinier van Zutphen in zijn onderzoek  “Woonwagenbewoner zoekt standplaats “van 17 mei 2017 de Rijksoverheid op de vingers heeft getikt en een aantal aanbevelingen voorstelde is  het roer  bij het ministerie omgegaan.  Men heeft besloten om de aanbevelingen van de Nationale Ombudsman op te volgen en  in overleg te treden met  gemeenten en hun organisatie de VNG, Aedes de koepel van woningbouwcorporaties en de bewoners zelf  (Roma, Sinti en woonwagenbewoners) de zelforganisaties en de hen ondersteunende advocaten teams van PILP en Houthoff en betrokken organisaties. Dat in november 2017 koning Willem Alexander veelvuldig in beeld is gebracht bij zijn bezoek aan het vernieuwde woonwagencentrum Beukbergen heeft natuurlijk een positieve uitstraling op dit proces gehad.

Acties door de Vereniging Sinti,Roma, woonwagenbewoners in Nederland (VSRWN) en de Vereniging Behoud Woonwagencultuur Nederland (VBWN)

Nederland kent de laatste jaren verschillende bewonersgroepen en organisaties die meestal via hun Facebook pagina aandacht vragen voor de problemen, waar bewoners mee te maken krijgen. Vooral de strijd tegen het uitsterfbeleid van gemeenten is een aanjager geweest, die voor veel betrokkenheid heeft gezorgd en uiteindelijk ook tot resultaten heeft geleid. Vooral de erkenning van de woonwagencultuur als immaterieel erfgoed, waar de VBWN met o.a. Piet van Asssendorp zich hard heeft gemaakt of de veroordeling van het uitsterfbeleid als discriminatie door het College voor de Rechten van de Mens, waar Travelers United met o.a. Paula Bloemers en de VSWRN met o.a. Sabina Achterbergh in samenwerking met PILP aan zijn verbonden, zijn belangrijke mijlpalen.

Actie VSRWN. Hoorzitting Roma, Sinti en woonwagenbewoners met Rijksoverheid in Den Haag een succes.

Op 30 november 2017 heeft in Den Haag een hoorzitting plaatsgevonden georganiseerd door de Vereniging Sinti Roma Woonwagenbewoners Nederland (VSRWN ) met Binnenlandse Zaken (directies Woningmarkt en Mensenrechten). Aanwezige bewoners afkomstig uit Amsterdam, Den Haag, Rijswijk, Arnhem, Tiel, Beek, Drachten , legden indrukwekkende getuigenissen af over hun ervaringen en ideeën  over onderwerpen als discriminatie, tekort aan standplaatsen, uitsterfbeleid van gemeenten, reisvrijheid, werkgelegenheid. Ook het PILP team (Leonie Huijbers en Jelle Klaas ) met de advocaten van Houthoff, (Ide Hendriks en Arjen de Snoo) , Het Wiel (Bram van Duinen- Woonwagenwijzer) en Peter Jorna (Consultancy Social Inclusion)namen  een onderdeel van de hoorzitting voor rekening.

Na de inleiding door Sabina Achterbergh, waarin zij  de inbreng voorleest van verhinderde organisaties en bewoners waaronder de Vereniging Behoud Woonwagencultuur  in Nederland ( Cees Groenendaal en Piet van Assendorp)  legt de vertegenwoordiger van het ministerie van Binnenlandse Zaken Dhr.Wiersma uit hoe de Rijksoverheid er toe gekomen is  gekomen om zich actief in te zetten tegen het discriminatiebeleid van gemeente, zodat wederzijds weer vertrouwen ontstaat in elkaar.

Knelpunten ten aanzien van het woonwagenbeleid gesignaleerd door woonwagenbewoners.

Voorafgaande aan deze hoorzitting is op 8 november 2017 door PILP  een overleg georganiseerd met vertegenwoordigers van de Roma, Sinti en woonwagenbewoners. Samen met hen en enkele experts is in kaart gebracht wat de grootste pijnpunten zijn in het woonwagenbeleid. Met hulp van advocaten van Houthoff  heeft het  advocaten team van PILP  deze punten verwerkt in een knelpunten overzicht, dat tijdens de hoorzitting wordt overhandigd aan de vertegenwoordiger van Binnenlandse zaken. ( zie bijlage onder dit bericht).

De hoorzitting.

In de inleiding door Sabina Achterbergh meldt zij de inbreng van verhinderde organisaties als de Vereniging Behoud Woonwagencultuur  in Nederland ( Cees Groenendaal en Piet van Assendorp)  die op hetzelde  moment een uitvoerige 10 puntenbrief met de Nationale Ombudsman aan het bespreken zijn. Woonwagen Belang Smallingerland ( Doet Kallenkoot en An Mirosch uit Drachten) beschrijven het standplaatsentekort in Smallingerland en de slechte communicatie met de gemeente. Django Wagner uit Nuenen noemt het standplaatsentekort, mevr.Basily uit Deurne benoemt het slechte toewijzingsbeleid, Cathy Kabalt  uit Blaricum loopt tegen de muur door de weigeringen van een hypotheek. Dhr.Wolters uit  Beilen beklaagt zich over het ontbreken van de trekvrijheid en trekkersplaatsen.

Aan het woord komen achtereenvolgens bewoners met een Roma, Sinti of woonwagenbewoners achtergrond aan het woord met  soms vernederende en traumatische ervaringen met gemeenten of politieoptredens, maar ook hoopvolle ervaringen na uitspraken door het CvRM. Zo vertelt Paula Bloemers van Travellers United  over haar gewonnen strijd bij het CVRM, Galit Brassem van Woonwagen- bewoners in actie over zijn ervaringen in Amsterdam, Nello en Nadino Weiss uit Arnhem over hun geschiedenis en ervaringen met hun transportbedrijf en muziek, Doris Visser  over de trieste opheffing van hun woonwagenlocatie de Escamplaan in Den Haag, Meikel Schmidt over  zijn gewonnen strijd over de hoogte van de woonwagens in Amsterdam, Dhr Becht, wonend op het kamp in Amsterdam over onzorgvuldig toewijzingsbeleid Amsterdam ,Maria Hendriks uit Amsterdam over haar ervaringen met de teloorgang van het circusbedrijf en de strijd tegen de vestiging van een festivalterrein vlak naast de standplaatsen. Willem Reuvers uit Tiel over zijn ervaringen met gemeentelijk beleid, dhr.Weiss namens Stichting Kleeza  over situatie in Beek, Beike Steinbach voorzitster van Stichting O Lungo Drom en woonachtig in Rijswijk over politieinval en slechte kwaliteit nieuwe woonwagens.

Inbreng organisaties en advocaten PILP en Houthoff

Aansluitend vraagt  Bram van Duinen, actief bij Het Wiel en  Woonwagenwijzer, o.a. aandacht voor  ontbreken hypotheken, veel te klein ( 5%) percentage koopstandplaatsen, vervanging slechte oude huurwagens, uitsluiting woonwagens subsidieregeling energiebesparing, geen huurtoeslag voor huurstandplaatsen, verbod plaatsen mantelzorgwagen of unit bij standplaatsen. Peter Jorna oud lid van de Commissie Raad van Europa aangaande Sinti, Roma en Travellers, sluit af over het Europese perspectief richting het recht op wonen in een woonwagen.

De advocaten van Houthoff, Ide Hendriks en Arjen de Snoo, nog eens de aandacht op een aantal  pijnpunten die zijn opgenomen in de knelpuntennota. Leonie Huijbers legt namens het team PILP daarna nog eens uit dat op basis van alle juridische uitspraken, die op Europees niveau en in Nederland door het College voor de Rechten van de Mens zijn gedaan, dat de overheid er alles aan moet doen om het woonwagenleven te faciliteren, mogelijk te maken.Jelle Klaas sluit hier op aan en hoopt dat de Rijksoverheid inderdaad nu doorpakt . Zij zullen het nauwgezet volgen en de gemeenschap van juridisch advies blijven voorzien.

Slotwoord Frenk Wiersma van Binnenlandse zaken

Frenk Wiersma  zegt mede namens zijn aanwezige medewerkers, waaronder Vital Moors en Michelle van Dijk, dat hij onder de indruk is van de opkomst en de getuigenissen van bewoners in de bijeenkomst en gemotiveerd  aan de slag gaat met de verdere uitwerking van het nieuwe beleid. Dat betekent voor 2018 verdere gesprekken met Aedes en  VNG. Het is de bedoeling dat in de nieuwe Handreiking Discriminatie, die in het voorjaar gaat uitkomen een apart hoofdstuk komt over het uitsterfbeleid en wat daar tegen te doen. Ook wordt er een Handreiking voor gemeenten  over standplaatsenbeleid uitgebracht, waarin de mensenrechten van woonwagenbewoners centraal staan en aanbevelingen worden gedaan voor een standplaatsenbeleid dat rekening houdt met de uitspraken van het CvRM. tevens wordt nagedacht over het houden van bijvoorbeeld regiobijeenkomsten voor gemeenten, om het nieuwe standplaatsenbeleid uit te leggen en hen te overtuigen om er iets aan te doen door het uitsterfbeleid aan te passen. Tenslotte wil het ministerie een overzicht maken, een monitor, waarin staat hoeveel standplaatsen, huur- en koopwoonwagens er in elke gemeente zijn en mogelijk de behoefte aan nieuwe standplaatsen. Deze monitor wil men voortaan om de 3-4 (?) jaar herhalen, zodat de ontwikkelingen gevolgd kunnen worden.

Actie Vereniging Behoud Woonwagencultuur Nederland (VBWN)

Op dezelfde dag dat de hoorzitting plaatsvond in Den Haag, was de Vereniging behoud Woonwagencultuur Nederland (VBWN) met Piet Assendorp en Cees Groenendaal op bezoek bij de Nationale Ombudsman Reinier van Zutphen. De vereniging stelt zich op het standpunt, dat voordat zij met de overheid gaan praten, de overheid  eerst de betonblokken weg moeten halen en de opgeheven standplaatsen terug moeten verhuren of verkopen. Dat het ministerie  de Handreiking voor gemeenten “ Werken aan woonwagenlocaties “ uit 2006 van de website heeft verwijderd is op zich een goede zaak, maar er ligt volgens de VBWN een taak van de overheid om opdracht te geven aan de gemeentes om per direct de betonblokken weg te halen en de vakken te verhuren zo dat men zijn goede wil betoont Dan is er een schone lei om mee te beginnen om te praten over de nieuwe standplaatsen.

Tijdens het gesprek  met Martin Blaakman (projectleider, opsteller van het rapport en rechterhand van Reinier van Zutphen) is dit aan de orde geweest en is ook de 10-puntenbrief (brief aan Vital Moors van het ministerie BZK) besproken. Bij de Ombudsman is het dossier “Woonwagenbewoner zoekt standplaats”” nog zeer levendig en actief. De gevraagde reacties op het rapport met name de gevraagde reacties van gemeenten blijven nog wat uit, maar gemeenten krijgen nog een herinnering op toch een antwoord naar de nationale Ombudsman te sturen.

Rijk ontwikkelt nieuw standplaatsenbeleid met mensenrechten woonwagenbewoners

23 oktober 2017

Minister Ronald Plasterk kondigt acties aan voor nieuw woonwagenbeleid van het Rijk.

Op 15 september 2017 heeft de minister van Binnenlandse Zaken Ronald Plasterk een brief geschreven aan de Nationale Ombudsman Reinier van Zutphen, waarin hij reageert op zijn rapport  ‘Woonwagenbewoner zoekt standplaats, een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de overheid voor woonwagenbewoners’ . In de brief, die hij ook schrijft namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Lodewijk Asscher, geeft de minister aan welke actie de Rijksoverheid gaat ondernemen naar aanleiding van de vragen aan het Rijk van de Nationale Ombudsman in zijn brief van 18 mei 2017.

De minister is het eens met het standpunt van de Nationale Ombudsman, dat gemeenten die een zogenaamd uitsterfbeleid hanteren, met zo’n beleid in strijd handelen met het recht van gelijke behandeling. Ook erkent minister Plasterk dat het Rijk de gemeenten verkeerd advies heeft gegeven in de handreiking ‘ Werken aan woonwagens’ die in 2006  is gepubliceerd door de toenmalige VROM -inspectie. In die handreiking  werden  gemeenten een aantal voorstellen aangereikt, hoe zij het standplaatsenbeleid in hun gemeente zouden kunnen voeren. Van twee van die opties heeft het College voor de Rechten van de Mensen bij een aantal gemeenten geoordeeld, dat deze discriminerend en in strijd zijn met de mensenrechten en het recht op gelijke behandeling. In dit type beleid wordt er  ontoelaatbaar direct onderscheid wordt gemaakt tussen woonwagenbewoners en mensen die in een woning wonen.

 Optie 1.  Het nuloptie-beleid of wat ook wel uitsterfbeleid genoemd, waarbij de woonwagenstandplaatsen geheel verdwijnen door het verwijderen van vrijkomende  standplaatsen of het aanbieden van reguliere huisvesting aan woonwagenbewoners.

Optie 2.  Het afbouwbeleid, dat gericht is op het verkleinen van woonwagenlocaties om zo een geleidelijke overgang naar reguliere huisvesting te bewerkstelligen.


Rijksoverheid erkend dat zij ook verantwoordelijkheid heeft voor het woonwagenbeleid.

Minister Plasterk kondigt met deze brief een belangrijke koerswijziging van de Rijksoverheid m.b.t. het huisvestingsbeleid van woonwagenbewoners. De afgelopen jaren gaf het Rijk niet thuis, als woonwagenbewoners of organisaties die zich hard maakten voor de belangen van woonwagenbewoners een beroep deden op het Rijk om actief op te treden tegen het uitsterfbeleid in gemeenten. De steeds terugkerende mantra luidde: “Het Rijk gaat hier niet over .De beleidsverantwoordelijkheid en uitvoering van het woonwagenbeleid is gedecentraliseerd naar gemeenten”.

De minister stelt nu weliswaar dat gemeenten in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het huisvestingsbeleid in hun gemeente omdat dit al jaren een gedecentraliseerde overheidstaak is, maar erkend nu wel dat het Rijk hier ook een eigen rol heeft. De Rijksoverheid zal rekeninghoudend met de oordelen van het College voor de Rechten van de Mens  kaders gaan aangeven waar de gemeenten rekening mee moeten houden als zij een standplaatsenbeleid in hun gemeente gaan opstellen.Het Rijk zal hun daarbij helpen en ondersteunen met bijvoorbeeld duidelijke handreikingen.

De acties van het Rijk zijn:

Actie 1.De handreiking ‘Werken aan woonwagens’ is van de website van het Rijk verwijderd.

Actie 2. Handreiking effectief antidiscriminatiebeleid.In de op 23 maart 2017  aangekondigde handreiking voor gemeenten met concrete voorbeelden en aanbevelingen voor een effectief lokaal antidiscriminatiebeleid zal ook aandacht worden besteed aan het standplaatsenbeleid voor woonwagenbewoners.

Actie 3. Ontwikkeling van een standplaatsenbeleid binnen mensenrechtenkader. In samenwerking met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is de Rijksoverheid in gesprek met een twintigtal gemeenten over welke wensen en behoeften deze gemeenten hebben om tot een standplaatsenbeleid te komen dat past binnen het mensenrechtenkader. De eerste bijeenkomst heeft op 21 juni jl. plaatsgevonden en in oktober volgt een tweede. Als klankbord worden tevens de Vereniging Sinti, Roma en Woonwagenbewoners Nederland en andere organisaties betrokken die zich inspannen om de positie van de woonwagenbewoners te verbeteren. De verwachting is dat dit zal leiden tot een kader voor gemeenten en woonwagenbewoners dat ruimte biedt om een goed lokaal beleid ter zake te voeren.

Actie 4. Nieuwe handreiking standplaatsenbeleid. Het is de bedoeling dat deze  gespreksrondes zullen leiden tot een nieuwe handreiking inzake het standplaatsenbeleid voor woonwagenbewoners.

Actie 5. Monitoring van het standplaatsenbeleid. Gemeenten hebben  tijdens bovengenoemd overleg reeds aangegeven prijs te stellen op enige vorm van monitoring en de minister geeft aan dat hij dat in ieder geval wil doen voor het standplaatsenbeleid.Hij gaat hierover in overleg met gemeenten en de betrokken organisaties bij het klankbord en onderzoekt en onderzoekt wat de inhoud en vorm van een monitor moet hebben.

Actie 6. Verbetering kennis mensenrechtenkader bij gemeenten. Het is de bedoeling dat de nieuwe handreikingen antidiscriminatie en standplaatsenbeleid en het nieuwe kader voor gemeenten en woonwagenbewoners bij gemeenten de kennis over het mensenrechtenkader voor de culturele identiteit van woonwagenbewoners  gaat verbeteren.

Wie worden de nieuwe ministers in kabinet Rutte III de plannen van Ronald Plaskerk gaan uitvoeren.

Binnenkort gaat het nieuwe kabinet Rutte III van start en  verdwijnen de ministers Stef Blok, Ronald Plasterk en Lodewijk Asscher. Tot de bovenstaande brief van Ronald Plasterk aan de Ombudsman 4 weken geleden hebben zij weinig aandacht besteed aan het woonwagenbeleid uitsterfbeleid door gemeenten. In het nieuwe kabinet worden de volgende namen genoemd, waar woonwagenbewoners de komende jaren mee te maken zouden kunnen krijgen:

Kajsa Ollongren (D66) : minister van Binnenlandse Zaken. ( was Ronald Plasterk)

Wouter Koolmees (D66): minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( was Lodewijk Asscher)

De brief van minister Plasterk kunt u hier lezen: Icon of Minister Plasterk Brief Nationale Ombudsman  Woonwagenbewoner Zoekt Standplaats September 2017 Minister Plasterk Brief Nationale Ombudsman Woonwagenbewoner Zoekt Standplaats September 2017

Rapport  Nationale Ombudsman ‘Woonwagenbewoner zoekt standplaats”

18 mei 2017.

Kabinet moet einde maken aan discriminerend standplaatsenbeleid woonwagenbewoners.

De nationale ombudsman Reinier van Zutphen heeft woensdag 17 mei 2017  zijn rapport “Woonwagenbewoner zoekt standplaats” gepresenteerd. De ombudsman roept het Kabinet op een einde te maken aan discriminerende standplaatsenbeleid woonwagen- bewoners. Volgens hem houden gemeenten en de Rijksoverheid de overheid te weinig rekening met de culturele identiteit van woonwagenbewoners. Hij stelt vast dat een regierol van het Rijk ontbreekt. Gemeenten worden niet ondersteund in het voeren van een standplaatsenbeleid gebaseerd op relevante mensenrechten-kaders.

Start van het onderzoek door de ombudsman

De Nationale ombudsman besloot in 2016 zich te oriënteren op de positie van woonwagenbewoners in Nederland. Zijn focus lag daarbij op de effecten van het opheffen van de Woonwagenwet (1999) op de woonsituatie van woonwagenbewoners en de gevolgen van de mensenrechtelijke ontwikkelingen voor het gemeentelijk stand-plaatsenbeleid. De aanleiding voor het onderzoek door de Nationale ombudsman vormen klachten van woonwagenbewoners over ‘uitsterfbeleid’: gemeentelijk beleid om vrijgekomen, bestaande standplaatsen niet meer voor woonwagens te benutten.

Via een meldpunt voor woonwagenbewoners ontving de Nationale ombudsman in 2016  112 meldingen van woonwagenbewoners. Hun boodschap was vrijwel steeds dezelfde: er is een tekort aan standplaatsen. Woonwagenbewoners signaleren zowel een absolute afname (het aantal standplaatsen in een gemeente neemt af, bijvoorbeeld als gevolg van een uitsterfbeleid) als een relatieve afname (de populatie woonwagenbewoners neemt toe terwijl het aantal standplaatsen niet uitbreidt). Voorbeelden van problemen die zij melden:

Conclusies van ombudsman Reinier van Zutphen

Reinier van Zutphen: “Gemeenten maken beleid vanuit het gelijkheidsbeginsel. Dat wil zeggen dat alle inwoners van een gemeente gelijke rechten en plichten hebben. Zij maken daarin geen onderscheid voor inwoners die woonwagenbewoners zijn. Maar in het geval van woonwagenbewoners is er nu juist geen sprake van gelijke gevallen ten opzichte van andere inwoners.

De door internationale verdragen erkende en beschermde (woonwagen)cultuur maakt het noodzakelijk met een andere bril naar standplaatsenbeleid te kijken.

Aandacht voor de behoeften van woonwagenbewoners is niet vrijblijvend, maar heeft een mensenrechtelijke basis. Daarom zouden gemeenten ongelijke gevallen, ongelijk moeten behandelen”. De Rijksoverheid moet hierin een regierol vervullen door een einde te maken aan discriminerend standplaatsenbeleid, de handreiking voor gemeenten in overeenstemming te brengen met het mensenrechtenperspectief, te zorgen voor adequate en actuele kennis en door te monitoren wat de impact van overheidsbeleid op de bescherming van de woonwagencultuur is. ”

Aanbevelingen van de ombudsman

In het rapport heeft de ombudsman een aantal aanbevelingen opgenomen voor gemeenten en de Rijksoverheid, die er voor moeten zorgen dat er voldoende standplaatsen worden gebouwd

Aanbevelingen Rijksoverheid

Aanbevelingen gemeenten

De presentatie van het rapport

Dit gebeurde in het clubgebouw Beukbergen van het woonwagencentrum in de gemeente Zeist. Aanwezige gasten waren o.a. woonwagenbewoners die hebben klachten hebben ingediend,vertegenwoordigsters van woonwagenorganisaties, zoals Sabina Achterbergh van de Vereniging Sinti Roma en woonwagenbewoners, Anneke van der Pol van Travellers United Nederland en cameraploegen van de NOS, Hart van Nederland, Omroep Gelderland en Frans Bromet (maker van de npo documentaire “Beukbergen de verbouwing van een woonwagenkamp” uit 2016)

Dit is maar een beknopte samenvatting. Lees verder het uitgebreide rapport :

Icon of Woonwagenbewoner Zoekt Standplaats 17 Mei 2017 Nationale Ombudsman Woonwagenbewoner Zoekt Standplaats 17 Mei 2017 Nationale Ombudsman

Icon of Hebt U Als Woonwagenbewoner Een Klacht Over De Gemeente  Wat Kunt U Doen    Nationale Ombudsman Hebt U Als Woonwagenbewoner Een Klacht Over De Gemeente Wat Kunt U Doen Nationale Ombudsman Icon of Kabinet Moet Einde Maken Aan Discriminerend Standplaatsenbeleid Woonwagenbewoners   Nationale Ombudsman Kabinet Moet Einde Maken Aan Discriminerend Standplaatsenbeleid Woonwagenbewoners Nationale Ombudsman

College voor de Rechten van de Mens: Rijksoverheid discrimineert woonwagenbewoners.

3 mei 2017

Op 1 mei 2017 heeft het College voor de Rechten van de Mens (CRM) de volgende oordelen uitgesproken in de zaak tussen Woonwagenbewonersvereniging Gouda ondersteund door het Nederlands Comité voor de Mensenrechten (NJCM) en PILP tegen de gemeente Gouda en de Rijksoverheid :

  1. Rijksoverheid discrimineert door advisering nuloptiebeleid– “De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties maakt jegens een woonwagenbewonersvereniging verboden onderscheid op grond van ras door middel van het opnemen van de ‘nuloptie’ in de handreiking “Werken aan woonwagen-locaties”.
  2. Volkshuisvestingsbeleid woonwagenbeleid is zaak van gemeenten. Het College is niet bevoegd te beoordelen of de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (verboden) onderscheid maakt door geen volkshuisvestings-beleid te voeren ten behoeve van woonwagenbewoning.”

Rijksoverheid discrimineert door advisering nuloptiebeleid.

Het College voor de Rechten van de Mens oordeelt, net zoals zij in eerdere uitspraken heeft gedaan bij gemeenten en woningcorporaties, dat ook de Rijksoverheid al vele jaren in strijd handelt met de Algemene Wet Gelijke behandeling (AWGB), doordat zij uitsterfbeleid als een acceptabele en legitieme vorm van huisvestingsbeleid aan gemeenten heeft voorgesteld. Het College is van oordeel dat deze beleidsvariant onderscheidmakend is jegens woonwagenbewoners. De nuloptie tast de kern van de woonwagencultuur aan omdat die ertoe leidt dat huisvesting in woonwagens verdwijnt . Door de nuloptie als beleidsvariant te noemen heeft verweerder niet alleen onderscheidmakend woonwagenbeleid door gemeenten in de hand gewerkt, maar dit ook op voorhand gelegitimeerd.De Rijksoverheid maakt daarmee verboden onderscheid op grond van ras in de zin van artikel 7a, eerste lid, AWGB. Het College kwalificeert het gemaakte onderscheid als direct onderscheid op grond van ras. De nuloptie heeft betrekking op woonwagenlocaties en treft daarmee uitsluitend woonwagenbewoners, die onder de bescherming van het discriminatieverbod op grond van ras vallen.

Tweede variant: Afbouwbeleid

Het College doet ook uitspraken over de tweede beleidsvariant het afbouwbeleid. In die situatie worden bestaande wat grotere woonwagencentra opgedeeld en verkleind tot centra van enkele standplaatsen. Het College is van oordeel dat afbouwbeleid niet onderscheidmakend en dus discriminerend hoeft te zijn, maar wel kan leiden tot onderscheid jegens woonwagenbewoners. Van belang is of door de geringe(re) omvang van de woonwagenlocaties de essentie van de woonwagencultuur verdwijnt. Over de vraag of dat zo is kan naar het oordeel van het College geen algemene uitspraak worden gedaan omdat dit afhangt van de concrete situatie.

Derde variant: Woonvisiebeleid

De derde variant, het woonvisiebeleid, houdt in dat het wonen op een standplaats wordt ingebed in de reguliere gemeentelijke processen. Hierbij worden woonwagenbewoners gelijkgesteld aan en concurrerend met andere woningzoekenden. Het College is van oordeel dat deze variant op zich niet onderscheidmakend is jegens woonwagenbewoners. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente om het huisvestingsbeleid zodanig vorm te geven dat in een zo gelijkwaardig mogelijk aanbod van woonruimte wordt voorzien voor woonwagenbewoners en voor personen die wachten op een sociale huurwoning.

Sociale huurwoning gelijkwaardig aan huurstandplaats + huurwoonwagen?

Het is interessant of het College in de toekomst zich ook uitspreekt over de vraag of gemeenten of woningcorporaties discrimineren, als zij uitgaande van een gelijkwaardig aanbod tussen een sociale huurwoning  en woonruimte voor woonwagens, wel een huurstandplaats maar geen huurwoonwagen willen verstrekken. Er zijn immers nog veel woonwagenbewoners met oude eigen woonwagens (VROM of CRM),die wel op een standplaats staan, maar waar de gemeente of woningcorporatie geen huurwagen willen verstrekken.

In de toekomst geen uitsterfbeleid meer. 

Door deze uitspraak kunnen gemeenten en woningcorporaties geen woonwagenbeleid of huisvestingsbeleid voor woonwagenbewoners meer vaststellen, dat uitgaat van actief of passief uitsterfbeleid, waarbij zij o.a.verwijzen naar de beleidsnotitie van de Rijksoverheid uit 2006 ‘”Werken aan Woonwagenlocaties”. Dit is een belangrijke principiële uitspraak, waardoor aangesloten wordt op internationale mensenrechtenstandaarden zoals uitgewerkt door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), het Europese Comité inzake Sociale Rechten (ECSR), de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI), het VN-Mensenrechtencomité en het VN-comité tegen rassendiscriminatie (CERD).

N.B. Tijdens de zitting op 17 februari 2017 is gebleken, dat de brochure, “Werken aan woonwagenlocaties.Handreiking aan gemeenten : Over beleid en Handhaven”, waarin het Rijk de verschillende beleidsvarianten van woonwagenbeleid heeft vastgelegd, inmiddels van de website van het Ministerie van Binnenlandse Zaken is verwijderd. Daarmee erkent de Rijksoverheid impliciet dat het uitsterfbeleid voortaan niet meer door het rijk worden ondersteund of aanbevolen.

Volkshuisvestingsbeleid woonwagenbeleid is zaak van gemeenten.

Het tweede deel van de uitspraak van het College voor de Rechten van de Mens gaat over de vraag of de Rijksoverheid woonwagen-bewoners discrimineert doordat zij geen volkshuisvestingsbeleid voert ten behoeve van woonwagenbewoning. Het CRM stelt vast dat zij niet bevoegd is om te beoordelen of de Minister discrimineert door geen maatregelen te treffen om te zorgen voor standplaatsen. Het zijn gemeenten die beleid en regelgeving voor de huisvesting opstellen en uitvoeren. De Minister maakt zelf geen volkshuisvestingsbeleid meer en neemt in deze sfeer ook geen beslissing. In de brief van het NJCM wordt gesteld dat, de opstelling van de Rijksoverheid wordt gekenmerkt door passiviteit, doordat het geen beleid ontwikkelt/heeft ontwikkeld om het tekort aan woonwagenstandplaatsen op te lossen. Daardoor zijn woonwagenbewoners volledig afhankelijk van gemeenten om een woonwagenstandplaats toegewezen te krijgen. Het is daarom de vraag of de Rijksoverheid voldoet aan het vereiste onder artikel 7a AWGB om ‘een zo gelijkwaardig mogelijk aanbod van woonruimte [te] voorzien voor woonwagenbewoners en voor personen die wachten op een sociale huurwoning. Het Rijk en het College stellen vast dat het volkshuisvestingsbeleid volledig is gedecentraliseerd en is neergelegd bij gemeenten. Zij hebben het beste overzicht en inzicht in de woonsituatie van woonwagenbewoners en zullen een volkshuisvestingsbeleid moeten voeren, waarbij ook recht moet worden gedaan aan de woonwagencultuur.

Tenslotte.

Je kan vaststellen, dat woonwagenbewoners met deze uitspraken in zoverre geholpen zijn, dat het uitsterfbeleid niet langer door overheden gebruikt mag worden bij het vaststellen van het volkshuisvestingsbeleid van woonwagenbewoning. De ondergrens van beleid is daarmee vastgelegd. Overheden mogen niet langer beleid voeren dat erop is gericht om het tekort aan standplaatsen groter te maken. Dat is winst. In 1999 hadden woonwagenbewoners en hun organisaties bij de opheffing van de Woonwagenwet het angstige gevoel, dat sommige gemeenten dit beleid zouden interpreteren als een aanzet tot opheffing van woonwagenbewoning. Met de beleidsaanbeveling van het Rijk in 2006 in “Werken aan Woonwagenlocaties” werd dat gevoel nogeens versterkt en ook bewaarheid door het uitsterfbeleid van een aantal gemeenten in de periode 2006-2016. Met het oordeel van het College is het uitsterfbeleid als beleidsoptie verleden tijd. Voortaan zullen gemeenten gewoon in discussie en overleg met bewoners moeten komen tot een woonwagenbeleid, waarin rekening wordt gehouden met de woonwagencultuur., waarin het wonen in groepsverband in een woonwagen mogelijk moet blijven.

Artikel website Het Wiel.

Ook op de website van het landelijk woonwagennieuws Het Wiel staat een duidelijk artikel over deze uitspraak.

 https://www.hetwiel.info/minister-discrimineert-woonwagenbewoners-vanwege-nuloptie/

Minister discrimineert woonwagenbewoners vanwege ‘nuloptie’

Bijlagen:

Icon of College Rechten Van De Mens  Rijksoverheid Discrimineert Woonwagenbewoners - PILP College Rechten Van De Mens Rijksoverheid Discrimineert Woonwagenbewoners - PILP Icon of Oordeel 2017-15 Minister Binnenlandse Zaken Discrimineert Woonwagenbewonersvereniging Met Beleidsvariant Nuloptie 1 Mei 2017 Kort Oordeel 2017-15 Minister Binnenlandse Zaken Discrimineert Woonwagenbewonersvereniging Met Beleidsvariant Nuloptie 1 Mei 2017 Kort Icon of Oordeel 2017-55 Minister Binnenlandse Zaken Discrimineert Woonwagenbewonersvereniging Met Beleidsvariant Nuloptie 1 Mei 2017 Volledig Oordeel 2017-55 Minister Binnenlandse Zaken Discrimineert Woonwagenbewonersvereniging Met Beleidsvariant Nuloptie 1 Mei 2017 Volledig Icon of Werken Aan Woonwagenlocaties VROM 2007 Werken Aan Woonwagenlocaties VROM 2007

werken_aan_woonwagenlocaties_VROM_2007

Nationale Ombudsman start onderzoek naar overheidsbeleid mensenrechten woonwagenbewoners. 

2 september 2016

Opening onderzoek ombudsman Reinier van Zutphen waarborgen mensenrechten woonwagenbewoners

Op 31 augustus 2016 heeft de Nationale Ombudsman een brief gestuurd aan de minister Lodewijk Asscher van Sociale zaken en Werkgelegenheid. In de brief staat dat hij een groot onderzoek start met als centrale onderzoeksvraag: “Handelt de Nederlandse overheid, centraal en decentraal, vanuit het perspectief van de woonwagenbewoners betrouwbaar in het borgen van hun mensenrechten, en meer in het bijzonder van hun mensenrechten als culturele minderheid?”

Opzet van het onderzoek.

Het onderzoek is begin september van start gegaan en het resultaat zal in het najaar van 2016 tijdens een ronde tafelbijeenkomst worden besproken. Het is de bedoeling, dat in het voorjaar van 2017 een rapportage zal verschijnen. De onderzoekers gaan praten met organisaties van woonwagenbewoners, individuele woonwagenbewoners om erachter te komen waar men in de praktijk tegen aanloopt. Ook worden de gemeenten en gemeentelijke ombudsmannen aangeschreven over hun beleid. Daarnaast zullen gesprekken gevoerd worden met Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG)  en enkele koepelorganisaties van woningbouwverenigingen, zoals Aedes. Deze gesprekken zullen echter weinig informatie opleveren, omdat deze organisaties al jaren verkondigen, dat de gemeenten en woningbouwverenigingen zelf het beleid voor woonwagenbewoners mogen bepalen. Ook geeft de ombudsman aan ook met minister Asscher in gesprek wil gaan.

Uitgangspunten bij het onderzoek.

De Nationale Ombudsman is tot dit onderzoek overgegaan naar aanleiding van klachten van woonwagenbewoners en organisaties als o.a. Travellers United Nederland ( o.a.Anneke van de Pol) dat gemeenten en de rijksoverheid zich niets gelegen laten liggen aan hun rechten, waardoor overal in het land woonwagenbewoners tegen zaken aanlopen als gebrek aan standplaatsen, uitsterfbeleid.

In de brief benoemt de Ombudsman twee belangrijke uitgangspunten die voor zijn onderzoek van belang zijn. De eerste is dat hij heeft vastgesteld dat woonwagenbewoners steeds meer erkenning krijgen als bevolkingsgroep met een eigen culturele identiteit, waarin het wonen in een woonwagen essentieel is. Hij rekent daarbij Roma en Sinti voor zover zij in woonwagens wonen of  de wens hebben om daarin te wonen ook tot de onderzoeksgroep. Hij verwijst hiervoor naar rapportages over Nederland van de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie van de Raad van Europa en oordelen van het College voor de Rechten van de Mens.

In de tweede plaats stelt de Ombudsman vast, dat de Rijksoverheid door ondertekening van verschillende mensenrechtenverdragen zij ook voor woonwagenbewoners als minderheidsgroep aanspreekbaar en verantwoordelijk is voor de invoering en de uitvoering van de door haar ondertekende internationale mensenrechtenverdragen in de gemeenten. Hij gebruikt daarvoor de term “stelselverantwoordelijk”.

Deze stellingname in dit onderzoek is daarom zo belangrijk, omdat zij het huidige beleid van de Rijksoverheid, waarbij alleen gemeenten verantwoordelijk worden gesteld voor het beleid voor woonwagenbewoners ter discussie stelt. Hij verwijst daar bij naar de brief van minister Asscher van 18 november 2013 aan de Tweede Kamer over het standpunt van het kabinet  over het vierde rapport over Nederland van de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie van de Raad van Europa (ECRI). Daarin staat dat het Nederlandse integratiebeleid geen aparte behandeling voorstaat van allerlei minderheidsgroepen en dat na de opheffing van de woonwagenwet in 1999 het standplaatsen beleid van woonwagenbewoners een zaak is voor de gemeenten.

Icon of Nationale Ombudsman Brief Asscher Onderzoek Woonwagenbewoners 31 Augustus 2016 Nationale Ombudsman Brief Asscher Onderzoek Woonwagenbewoners 31 Augustus 2016 Icon of Rassendiscriminatie Asscher Kst-30950-62 Rassendiscriminatie Asscher Kst-30950-62 Icon of ECRI 3e Rapport2008-3-NLD ECRI 3e Rapport2008-3-NLD Icon of 4e Ecri Rapport Over Nederland 15 Oktober 2013 4e Ecri Rapport Over Nederland 15 Oktober 2013

College voor de Rechten van de Mens veroordeelt gemeenten en woningcorporaties voor discriminatie.

12 juli 2016

Beleid in gemeente Waddinxveen, Eindhoven en Son en Breugel in strijd met Algemene Wet Gelijke Behandeling.

Het College heeft in maart en juli 2016 over deze drie gemeenten een oordeel uitgesproken naar aanleiding van klachten van woonwagenbewoners over het woonwagenbeleid in deze gemeenten. De klachten hadden o.a. betrekking op de weigering van gemeente en/of woningbouwcorporatie om een vrijgekomen standplaats toe te wijzen. Het College stelt dat in alle gevallen sprake is van beleid waarbij sprake is van discriminatie op grond van ras of afkomst. Gemeente Eindhoven, Waddinxveen en Son en Breugel worden bekritiseert dat zij bij de woonplannen in hun gemeente wel onderzoek doen naar de behoefte aan woningen en daarvoor nieuwbouwplannen maken, maar dit niet doen bij de doelgroep woonwagenbewoners en/of Sinti. Ook het feit, dat zij geen woonwagenbewoning meer toestaan op standplaatsen, maar wel woningen willen bouwen is discriminerend. Zij worden apart en ongelijk behandeld en dat is niet toegestaan volgens de Algemene Wet Gelijke behandeling (AWGB).Opnieuw stelt het College vast dat ook een woningstichting zich niet mag verschuilen achter het beleid van een gemeente als die b.v. een uitsterfbeleid nastreeft. Zo’n uitsterfbeleid tast de kern aan van de levenswijze van woonwagenbewoners en Sinti’s, wat bij toetsing aan de wet AWGB wordt beschouwd als  discriminatie. Een woningstichting die meewerkt aan de uitvoering van dat beleid maakt zich dus ook schuldig aan discriminatie.

Het College heeft eerder geoordeeld dat woonwagenbewoners die zich van generatie op generatie als zodanig manifesteren en die zich beschouwen als een bevolkingsgroep met een van andere bevolkingsgroepen te onderscheiden cultuur, onder het begrip ras vallen, zoals bedoeld in de AWGB.


UITSPRAKEN. 

Datum: 7 juli 2016

Gemeente Son en Breugel.  

Oordeel 2016-71Het College van B&W van de gemeente Son en Breugel discrimineert een vrouw van Sinti-afkomst door op de woonwagenstandplaats waar zij woont, geen woonwagenbewoning meer toe te staan.

Situatie

Een Sinti vrouw woont op de woonwagenlocatie Oranjetip in de gemeente Son en Breugel. Het College van B&W staat op deze locatie geen woonwagenbewoning meer toe. Er worden goedkope sociale woningen gebouwd. De vrouw wil in een woonwagen blijven wonen. Volgens het College van B&W wordt met het gemeentelijke beleid duurzaam wonen en integratie bevorderd. Er wordt gestreefd om op termijn alle woonwagens te vervangen door duurzame woningen.

Beoordeling

Het College van B&W heeft besloten dat in het kader van een ‘natuurlijk krimpscenario’ vrijkomende standplaatsen niet meer in stand worden gehouden. Bovendien worden er geen nieuwe woonwagenstandplaatsen/locaties aangelegd in de gemeente. Dit betekent dat op de langere termijn woonwagenbewoning binnen de gemeente onmogelijk is. Hiermee voert het College van B&W een uitsterfbeleid voor woonwagenbewoning uit. Dit beleid tast de kern aan van de levenswijze van Sinti’s. Het College oordeelt daarom dat het College van B&W de vrouw discrimineert op grond van haar afkomst door op de woonwagenlocatie Oranjetip geen woonwagenbewoning meer toe te staan.

Oordeel 2016-72: Woonstichting Thuis discrimineert een vrouw van Sinti-afkomst door vrijgekomen standplaatsen op woonwagenlocatie Oranjetip te ontmantelen en geen vervangende woonwagenplaatsen daarvoor in de plaats te stellen.

Situatie

Een Sinti vrouw woont op de woonwagenlocatie Oranjetip in de gemeente Son en Breugel. Zij vindt dat Woonstichting ‘thuis haar discrimineert omdat de woonstichting vrijgekomen standplaatsen op deze locatie ontmantelt en er goedkope sociale woningen wil gaan bouwen. Voor die woningen komen niet alleen woonwagenbewoners in aanmerking maar iedereen die een woning zoekt. De woonstichting verklaart dat zij woonwagenbewoning niet onmogelijk wil maken. Omdat het College van B&W geen nieuwe woonwagenstandplaatsen wil, heeft de woonstichting  gekeken naar andere vormen van betaalbaar wonen voor mensen die afhankelijk zijn van sociale huisvesting. Daarom worden op die locatie betaalbare sociale woningen gebouwd, die voor iedere woningzoekende toegankelijk zijn.

Beoordeling

De woonstichting verhuurt vrijgekomen standplaatsen op de locatie Oranjetip niet meer. Daardoor is het aantal woonwagenstandplaatsen op deze locatie afgenomen van tien naar twee. Ook worden er geen nieuwe of vervangende standplaatsen aangelegd. Dit terwijl 15 woningzoekenden uit de gemeente op de wachtlijst voor een woonwagen staan. Dit leidt ertoe dat op korte termijn niet in de woonbehoefte van Sinti kan worden voorzien. De woonstichting  voert het beleid uit van het College van B&W ten aanzien van de woonwagenstandplaatsen. In de zaak tegen B&W oordeelt het College dat dit beleid discriminerend is. Door het uit te voeren, discrimineert de woonstichting ook. De woonstichting  heeft een eigen verantwoordelijkheid om de gelijkebehandelingswetgeving na te leven.

Icon of Son En Breugel Gemeente Vrouw  2016-71 College Voor De Rechten Van De Mens Son En Breugel Gemeente Vrouw 2016-71 College Voor De Rechten Van De Mens

Icon of Son En Breugel Gemeente Vrouw  2016-71 College Voor De Rechten Van De Mens Volledig Son En Breugel Gemeente Vrouw 2016-71 College Voor De Rechten Van De Mens Volledig

Icon of Son En Breugel Woonstichting Thuis Vrouw  2016-72 College Voor De Rechten Van De Mens Son En Breugel Woonstichting Thuis Vrouw 2016-72 College Voor De Rechten Van De Mens

Icon of Son En Breugel Woonstichting Thuis Vrouw  2016-72 College Voor De Rechten Van De Mens Volledig Son En Breugel Woonstichting Thuis Vrouw 2016-72 College Voor De Rechten Van De Mens Volledig


Datum: 5 juli 2016

Gemeente Eindhoven.

Oordeel 2016- 67: De gemeente Eindhoven discrimineert een woonwagenbewoonster door het beleid te voeren waardoor zij niet in aanmerking komt voor een standplaats op een woonwagenlocatie in de gemeente Eindhoven.

Situatie

Een vrouw woonde als medebewoner in op een standplaats op de woonwagenlocatie Heezerweg. De hoofdbewoonster ging weg. De vrouw wil het liefst blijven wonen op deze plek. In opdracht van het College van B&W van de gemeente Eindhoven weigert de verhuurder de standplaats aan de vrouw te verhuren. Het College van B&W stelt dat hij geen uitsterfbeleid voert. Met het beleid wil hij juist een uitbreiding van het aantal standplaatsen in zijn gemeente. Alleen vrijgekomen standplaatsen op de locatie Heezerweg worden niet meer verhuurd.

Beoordeling

Het College van B&W heeft na het Woonwagenbeleid 2005-2010 geen nieuw woonwagenbeleid ontwikkeld. Het College van B&W heeft in zijn Woonvisie 2015 doelen en ambities geformuleerd die meerdere groepen met specifieke woonwensen betreffen. Voor de groep woonwagenbewoners zijn geen doelen en ambities vastgelegd. In de Woonvisie 2015 wordt ook gemeld dat de sociale woningvoorraad in balans is met de doelgroep en dat de deze (net) voldoende groot is om te voldoen aan de behoefte. Voor woonwagenbewoning kan een vergelijkbare balans niet worden aangenomen. De vrouw is aangewezen op een woonwagenstandplaats op een woonwagenlocatie om volgens haar woonwagencultuur te kunnen leven. Vast staat dat de vrouw niet binnen afzienbare tijd in aanmerking kan komen voor een woonwagenstandplaats. Het College oordeelt daarom dat het College van B&W van de gemeente Eindhoven de vrouw discrimineert door het beleid te voeren waardoor zij niet in aanmerking komt voor een standplaats op een woonwagenlocatie.

Oordeel 2016-68: Stichting Wooninc. discrimineert een woonwagenbewoonster door haar niet in aanmerking te laten komen voor het huren van een standplaats op een woonwagenlocatie in de gemeente Eindhoven.

Situatie

Een vrouw woonde bij een hoofdbewoonster in op een standplaats op de locatie Heezerweg in Eindhoven. Na vertrek van de hoofdbewoonster wil zij daar blijven wonen. Stichting Wooninc. weigert de verhuur en ontmantelt vrijgekomen standplaatsen op deze locatie in opdracht van het College van B&W. Hoewel de vrouw op de wachtlijst staat om in aanmerking te komen voor een woonwagenstandplaats, krijgt zij ook geen andere standplaats aangewezen. Wooninc. voert aan dat zij van het College van B&W vrijgekomen standplaatsen op de locatie Heezerweg niet mag verhuren, totdat voor de gemeente duidelijk is wat er met deze locatie gaat gebeuren. Wooninc. hanteert een wachtlijst voor toewijzing van standplaatsen. Als de vrouw voldoet aan de voorwaarden kan zij in aanmerking komen voor een standplaats op een andere locatie.

Beoordeling

Wooninc. voert het woonwagenbeleid van het College van B&W van de gemeente Eindhoven uit. In de zaak tegen het College van B&W oordeelt het College dat dit beleid discriminerend is. Wooninc. heeft als verhuurder van woonruimten een eigen verantwoordelijkheid om de gelijkebehandelingswetgeving na te leven. Van Wooninc. mag verwacht worden dat zij bij het maken van de afweging om een bepaald gemeentelijk beleid te volgen, nagaat of dat beleid in overeenstemming is met de gelijkebehandelingswetgeving. Als dit niet zo is, dan hoort zij ten minste met de betreffende overheidsinstantie daarover in gesprek te gaan. Dit heeft Wooninc niet gedaan. Het College oordeelt daarom dat Wooninc. de vrouw discrimineert door het gemeentelijke beleid zonder meer uit te voeren.


Oordeel 2016-63: De gemeente Eindhoven discrimineert een woonwagenbewoner door het beleid te voeren waardoor hij niet in aanmerking komt voor een standplaats op een woonwagenlocatie in de gemeente Eindhoven.

Situatie

Een man woont op de standplaats van zijn opa op de woonwagenlocatie Heezerweg en wil daar blijven wonen. In opdracht van het College van B&W van de gemeente Eindhoven weigert de verhuurder de standplaats te verhuren en ontmantelt vrijgekomen standplaatsen. Het College van B&W stelt dat hij geen uitsterfbeleid voert. Met het beleid wil hij juist een uitbreiding van het aantal standplaatsen in zijn gemeente. Alleen vrijgekomen standplaatsen op de locatie Heezerweg worden niet meer verhuurd.

Beoordeling

Het College van B&W heeft na het Woonwagenbeleid 2005-2010 geen nieuw woonwagenbeleid ontwikkeld. Het College van B&W heeft in zijn Woonvisie 2015 doelen en ambities geformuleerd die meerdere groepen met specifieke woonwensen betreffen. Voor de groep woonwagenbewoners zijn geen doelen en ambities vastgelegd. In de Woonvisie 2015 wordt ook gemeld dat de sociale woningvoorraad in balans is met de doelgroep en dat de deze (net) voldoende groot is om te voldoen aan de behoefte. Voor woonwagenbewoning kan een vergelijkbare balans niet worden aangenomen. De man is aangewezen op een woonwagenstandplaats op een woonwagenlocatie om volgens zijn woonwagencultuur te kunnen leven. Vast staat dat de man niet binnen afzienbare tijd in aanmerking kan komen voor een woonwagenstandplaats. Het College oordeelt daarom dat het College van B&W van de gemeente Eindhoven de man discrimineert door het beleid te voeren waardoor hij niet in aanmerking komt voor een standplaats op een woonwagenlocatie.

Oordeel 2016-64: Stichting Wooninc. discrimineert een woonwagenbewoner door hem niet in aanmerking te laten komen voor het huren van een standplaats op een woonwagenlocatie in de gemeente Eindhoven.

Situatie

Een man woont op de standplaats van zijn opa op de locatie Heezerweg in Eindhoven en wil daar blijven wonen. Stichting Wooninc. weigert de verhuur en ontmantelt vrijgekomen standplaatsen op deze locatie in opdracht van het College van B&W. Hoewel de man bovenaan de wachtlijst staat om in aanmerking te komen voor een woonwagenstandplaats, krijgt hij ook geen andere standplaats aangewezen. Wooninc. voert aan dat zij van het College van B&W vrijgekomen standplaatsen op de locatie Heezerweg niet mag verhuren, totdat voor de gemeente duidelijk is wat er met deze locatie gaat gebeuren. Wooninc. hanteert een wachtlijst voor toewijzing van standplaatsen. Als de man voldoet aan de voorwaarden kan hij in aanmerking komen voor een standplaats op een andere locatie.

Beoordeling

Wooninc. voert het woonwagenbeleid van het College van B&W van de gemeente Eindhoven uit. In de zaak tegen het College van B&W oordeelt het College dat dit beleid discriminerend is. Wooninc. heeft als verhuurder van woonruimten een eigen verantwoordelijkheid om de gelijkebehandelingswetgeving na te leven. Van Wooninc. mag verwacht worden dat zij bij het maken van de afweging om een bepaald gemeentelijk beleid te volgen, nagaat of dat beleid in overeenstemming is met de gelijkebehandelingswetgeving. Als dit niet zo is, dan hoort zij ten minste met de betreffende overheidsinstantie daarover in gesprek te gaan. Dit heeft Wooninc. niet gedaan. Het College oordeelt daarom dat Wooninc. de man discrimineert door het gemeentelijke beleid zonder meer uit te voeren.

Icon of Eindhoven Gemeente Brestlaan Vrouw 2 2016-66 College Voor De Rechten Van De Mens Eindhoven Gemeente Brestlaan Vrouw 2 2016-66 College Voor De Rechten Van De Mens Icon of Eindhoven Gemeente Brestlaan Vrouw 2 2016-66 College Voor De Rechten Van De Mens Volledig Eindhoven Gemeente Brestlaan Vrouw 2 2016-66 College Voor De Rechten Van De Mens Volledig Icon of Eindhoven Gemeente Brestlaan Vrouw 2016-65 College Voor De Rechten Van De Mens G Eindhoven Gemeente Brestlaan Vrouw 2016-65 College Voor De Rechten Van De Mens G Icon of Eindhoven Gemeente Brestlaan Vrouw 2016-65 College Voor De Rechten Van De Mens Volledig Eindhoven Gemeente Brestlaan Vrouw 2016-65 College Voor De Rechten Van De Mens Volledig Icon of Eindhoven Gemeente Heezerweg Man Inwonend 2016-63 College Voor De Rechten Van De Mens Eindhoven Gemeente Heezerweg Man Inwonend 2016-63 College Voor De Rechten Van De Mens Icon of Eindhoven Gemeente Heezerweg Man Inwonend 2016-63 College Voor De Rechten Van De Mens Volledig Eindhoven Gemeente Heezerweg Man Inwonend 2016-63 College Voor De Rechten Van De Mens Volledig Icon of Eindhoven Gemeente Heezerweg Vrouw Inwonend 2016-67 College Voor De Rechten Van De Mens Eindhoven Gemeente Heezerweg Vrouw Inwonend 2016-67 College Voor De Rechten Van De Mens Icon of Eindhoven Gemeente Heezerweg Vrouw Inwonend 2016-67 College Voor De Rechten Van De Mens Volledig Eindhoven Gemeente Heezerweg Vrouw Inwonend 2016-67 College Voor De Rechten Van De Mens Volledig Icon of Eindhoven Wooninc Heezerweg Man Inwonend 2016-64 College Voor De Rechten Van De Mens Eindhoven Wooninc Heezerweg Man Inwonend 2016-64 College Voor De Rechten Van De Mens Icon of Eindhoven Wooninc Heezerweg Man Inwonend 2016-64 College Voor De Rechten Van De Mens Volledig Eindhoven Wooninc Heezerweg Man Inwonend 2016-64 College Voor De Rechten Van De Mens Volledig Icon of Eindhoven Wooninc Heezerweg Vrouw Inwonend 2016-68 College Voor De Rechten Van De Mens Eindhoven Wooninc Heezerweg Vrouw Inwonend 2016-68 College Voor De Rechten Van De Mens Icon of Eindhoven Wooninc Heezerweg Vrouw Inwonend 2016-68 College Voor De Rechten Van De Mens Volledig Eindhoven Wooninc Heezerweg Vrouw Inwonend 2016-68 College Voor De Rechten Van De Mens Volledig

Datum: 8 maart 2016

Gemeente Waddinxveen

Oordeel 2016-19: Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Waddinxveen discrimineert een woonwagenbewoonster door haar geen toestemming te geven om een standplaats op een woonwagencentrum te huren.

Situatie

Een vrouw woont met haar twee kinderen bij haar ouders in een woonwagen op een woonwagenlocatie in de gemeente Waddinxveen. Door natuurlijk verloop zijn op het woonwagencentrum drie standplaatsen vrijgekomen die zijn geblokkeerd. Daardoor is het aantal beschikbare standplaatsen in de gemeente feitelijk teruggebracht van eenentwintig tot achttien. De vrouw verzoekt sinds december 2012 regelmatig of zij een van de vrijgekomen plaatsen kan huren. Dit leidt niet tot succes.

Beoordeling

Het College van B&W heeft sinds 1987 geen onderzoek gedaan naar de behoefte aan standplaatsen voor woonwagenbewoners. Het College van B&W heeft daardoor geen inzicht in de behoefte aan woonwagenstandplaatsen, terwijl wel sinds geruime tijd onderzoek wordt gedaan naar de behoefte aan reguliere sociale woningen. Dit leidt tot een vermoeden van discriminatie van woonwagenbewoners. Het College van B&W weerlegt dit vermoeden niet. Daarom discrimineert het College van B&W de vrouw door haar geen toestemming te geven om op het woonwagencentrum een standplaats te huren.

Icon of Waddinxveen Gemeente Vrouw 2016-19 College Voor De Rechten Van De Mens Waddinxveen Gemeente Vrouw 2016-19 College Voor De Rechten Van De Mens Icon of Waddinxveen Gemeente Vrouw 2016-19 College Voor De Rechten Van De Mens Volledig Waddinxveen Gemeente Vrouw 2016-19 College Voor De Rechten Van De Mens Volledig

Update: Mensenrechtelijk kader woonwagenbeleid van gemeenten

28 april 2016

Publicatie over woonwagenbeleid in het Nederlands Tijdschrift voor de Mensenrechten.

In het laatste nummer van het Nederlands Tijdschrift voor de Mensenrechten van 2015 is een artikel verschenen van de hand van Mr. Leonie Huijbers, met  als titel ´Het woonwagenbeleid in Nederland vanuit mensenrechtelijk perspectief´. Dit tijdschrift is het belangrijkste juridische tijdschrift op het terrein van de mensenrechten in Nederland en is een uitgave van het Nederlands Juristencomité voor de Mensenrechten (NJCM). Leonie Huijbers  is promovenda bij de afdeling internationaal en Europees recht van de Radboud Universiteit Nijmegen en coördinator van het woonwagendossier van het Public Interest Litigation Project (PILP) van het Nederlands Juristencomité voor de Mensenrechten (NJCM).

In het artikel plaatst Huijbers de woonwagenbeleidsvoering in een breed mensenrechtelijk kader, waarbij ze zowel de negatieve als de positieve verplichtingen van de overheid ten aanzien van woonwagenbewoners bespreekt. Zij concludeert daarin dat de achterliggende integratiestrategie van de Nederlandse overheid an sich geen probleem vormt. De beleidsvarianten die daaruit voortkomen echter, zijn niet in overeenstemming met de betreffende mensenrechtenstandaarden.

In ons eerdere bericht “PILP publiceert Mensenrechtelijk kader woonwagenbeleid” van 15 augustus 2015 hebben wij al vermeld dat Leonie Huijbers een handreiking heeft geschreven voor gemeenten ‘Mensenrechtelijk kader woonwagenbeleid” waarin de volgende conclusies staan:

Woonwagen onderdeel woonwagencultuur.Ten eerste dienen gemeenten bij het bepalen van het woonwagenbeleid rekening te houden met de specifieke belangen van woonwagenbewoners.Het bewonen van een woonwagen kan dan ook niet worden weggezet als een simpele ‘woonwens’. Het moet worden gezien als een wezenlijk onderdeel van de woonwagencultuur en – identiteit wat vraagt om een gedifferentieerde behandeling.

Uitsterfbeleid is  discriminatie.Ten tweede is het van belang om een mogelijk tekort aan standplaatsen te ondervangen.Dit betekent niet dat het noodzakelijk is dat er evenveel woonwagenstandplaatsen zijn als er vraag naar is, maar in de ruimtelijke planning dient het woonwagenleven voldoende gefaciliteerd te worden. Om inzicht te krijgen in de vraag naar woonwagenstandplaatsen zouden gemeenten een wachtlijst kunnen opstellen en de wachttijd inventariseren. In ieder geval is duidelijk uit de oordelen van het College dat een woonwagenbeleid wat gericht is op het laten verdwijnen of inkrimpen van het aantal woonwagenstandplaatsen discriminerend is.

Belangen woonwagenbewoner. Ten derde dient ten aanzien van individuele gevallen de belangen van de betreffende woonwagenbewoner in acht te worden genomen.Zeker bij uitzetting dienen er zwaarwegende redenen te zijn; daarbij is antisociaal gedrag niet voldoende om uitzetting te rechtvaardigen.Eveneens betekent een gelijke behandeling in dat een uitzetting van een woonwagenbewoner niet zou mogen leiden tot een opheffing van de standplaatsen, wat in feite neer zou komen op een afbouwbeleid.

Woonwagenbeleid gemeenten in strijd  met mensenrechtenstandaarden.

In het nieuwe artikel in het laatste nummer van 2015 in het juristenblad ´Het woonwagenbeleid in Nederland vanuit mensenrechtelijk perspectief´ gaat zij dieper in op de vraag of  de vijf varianten van woonwagenbeleid, die gemeenten in Nederland toepassen in hun woonwagenbeleid wel toelaatbaar zijn als je kijkt naar de internationale, Europese en nationale richtlijnen voor mensenrechten.

Zij concludeert dat :

Conclusie 1.Erkenning als minderheid

Een officiële erkenning van Roma, Sinti en woonwagenbewoners door de Nederlandse overheid als nationale minderheden, zou recht doen aan de status van woonwagenbewoners en een betere bescherming van hun positie kunnen opleveren.

Conclusie 2. Varianten woonwagenbeleid zijn discriminerend.

Ten tweede lijkt de Nederlandse woonwagenbeleidsvoering lastig te verenigen met het mensenrechtelijk kader. Dit betreft dan in het bijzonder de eerste drie beleidsopties die aan de gemeenten zijn meegegeven door het toenmalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat (nuloptie, afbouw- en woonvisiebeleid), en waarvoor veel gemeenten hebben gekozen.

Variant 1: Het nuloptie of uitsterfbeleid. Ten aanzien van het gemeentelijk woonwagenbeleid heeft het College voor de Rechten van de Mens, zoals eerder aangegeven, woonwagenbewoners erkend als een bevolkingsgroep die onder de term ‘ras’ van de AWGB valt en heeft het erop gewezen dat hun specifieke woonvorm een essentieel onderdeel vormt van de woonwagencultuur. In dat licht heeft het de eerste VROM-beleidsvariant – de ‘nuloptie’ of in andere woorden het ‘uitsterfbeleid’ – beoordeeld als discriminerend. Volgens het College wordt in dergelijk beleid een direct onderscheid gemaakt tussen woonwagenbewoners en personen in reguliere huisvesting.

AWGB = Algemene Wet Gelijke Behandeling

Variant 2: Het afbouwbeleid. Aannemelijk is dat de tweede beleidsoptie, het ‘afbouwbeleid’, eveneens als discriminerend kan worden aangemerkt. Doordat het gericht is op het substantieel verminderen van de woonwagenbewoning tot een ‘kernvoorraad’, lijkt het immers eenzelfde direct onderscheid te maken als de nuloptie. Tot eenzelfde conclusie komt de Nationale Ombudsman die aangeeft dat het afbouwbeleid net als het uitsterfbeleid, de woonwagencultuur en groepsidentiteit aantast en daarmee discriminerend is. Dit lijkt ook in lijn te zijn met het recente oordeel van het College, waar het aangeeft dat het onvoldoende beschermen van de woonwagencultuur het risico met zich meebrengt dat gemeenten in strijd handelen met het discriminatieverbod. Op zijn minst kan worden gesteld dat het blokkeren van de mogelijkheid om het aantal woonwagenstandplaatsen uit te breiden in strijd lijkt te zijn met de EVRM-verplichting om de woonwagencultuur te faciliteren – de ‘zorgplicht’. Een afbouwbeleid houdt immers géén rekening met een (eventueel) groeiende vraag en met de specifieke behoeftes van woonwagenbewoners.

EVRM = Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Variant 3: Het woonvisiebeleid. Mijn inziens schiet ten slotte ook het ‘woonvisiebeleid’ tekort als het wordt bezien vanuit het hiervoor geschetste mensenrechtelijk kader. Bij dit beleid wordt de vraag naar een woonwagenstandplaats gezien als een simpele ‘woonwens’, waarmee het woonwagenleven niet erkend wordt als een onderdeel van de identiteit en cultuur van woonwagenbewoners. Sociale huurwoningen worden daarbij gezien als geschikte alternatieve huisvesting voor woonwagenbewoners, maar daarmee lijkt het niet in lijn te zijn met onder meer de jurisprudentie van het EHRM zoals besproken in paragraaf 4.2. Uit die jurisprudentie komt immers naar voren dat de culturele toereikendheid van alternatieve huisvesting ook in ogenschouw genomen zal moeten worden; rekenschap zal moeten worden gegeven aan de woonwagenlevensstijl. EHRM = Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Deze drie beleidsvarianten zijn discriminerend.Alle drie de beleidsvarianten – nuloptie, afbouw- en woonvisiebeleid – lijken dan ook onverenigbaar te zijn met het recht op respect van de woning, privé- en gezinsleven en het verbod van discriminatie, omdat ze simpelweg te weinig of zelfs geen rekening lijken te houden met de rechtmatige belangen vanwoonwagenbewoner. Tegen deze achtergrond lijkt de Nederlandse overheid niet te voldoen aan zijn procedurele en materiële verplichtingen onder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

Conclusie 3. Standplaatsentekort.

Ten derde is er een groot tekort aan woonwagenstandplaatsen in Nederland, waardoor het voor veel woonwagenbewoners bijzonder lastig is om een woonwagenstandplaats te bemachtigen.
Hoewel woonwagenbewoners niet langer rondtrekken, een gevolg van de verplichte stationering op een woonwagenlocatie sinds 1968, heeft het nomadisch bestaan, volgens het EHRM, nog
steeds een plaats in de geest van het woonwagenleven. Naar het oordeel van het College voor de Rechten van de Mens manifesteren woonwagenbewoners zich in Nederland nog altijd met
een van andere bevolkingsgroepen te onderscheiden cultuur. Een groot tekort aan woonwagenstandplaatsen zou woonwagenbewoners dan ook raken in de kern van hun cultuur, omdat het
woonwagenleven als een integraal onderdeel moet worden gezien van hun identiteit als woonwagenbewoners.

Conclusie 4. Dit woonwagenbeleid leidt tot gedwongen integratie in woningenHet uitsterf- en afbouwbeleid zijn voorbeelden van beleidsvoering die sterk gericht zijn op het zoveel mogelijk opnemen van woonwagenbewoners in reguliere huisvesting. Door het gedwongen karakter roept dit de vraag op in hoeverre dit nog werkelijk een integratiebeleid is. Aandachtspunt is dan ook dat de ‘repressieve inclusiestrategie’ van de Nederlandse overheid in ieder geval niet verwordt tot een assimilatiebeleid – daarmee zou het onmogelijk worden voor woonwagenbewoners om hun woonwagencultuur voort te zetten. De Nederlandse autoriteiten zouden dan ook bewust moeten zijn van de mensenrechtelijke grenzen van een integratiebeleid, die impliceren dat de woonwagencultuur en identiteit beschermd moeten worden. Volgens het EHRM zou deze bescherming niet alleen van belang zijn voor de woonwagenbewoners, maar is het ook noodzakelijk voor het voortbestaan van de culturele diversiteit in de samenleving.

Assimilatie = Zodanige aanpassing van individuen of groepen aan een dominante cultuur dat de oorspronkelijke culturele identiteit op de achtergrond raakt.

Conclusie 5.Tekort standplaatsen leidt tot aantasting  kwaliteit huisvesting woonwagenlocaties. Een vijfde noemenswaardig punt ziet op de gevolgen van het tekort aan woonwagenstandplaatsen voor de kwaliteit van huisvesting. De woonwagenbewoners die toch op een woonwagenlocatie willen blijven wonen leven vaak in overvolle woonwagens en gaan soms over tot illegale uitbreidingen.De kwaliteit van de huisvesting wordt bovendien bemoeilijkt door het ontbreken van woonwagenspecifieke bouwnormen door de afschaffing van de Woonwagenwet in 1999, waardoor vele woonwagens niet (kunnen) voldoen aan de gestelde normen. Een dergelijk resultaat kan volgens het ECSR niet zonder meer tegengeworpen worden aan de woonwagen-bewoners.Bij het woonwagenbeleid zou dan ook rekening moeten worden gehouden met de invloed die restrictief beleid kan hebben op zowel de kwantiteit als kwaliteit van woonwagens.

ECSR =Europees Comité voor Sociale Rechten

Conclusie 5. Ontbreken inspraak woonwagenbewoners. Als laatste kan worden geconcludeerd dat woonwagenbewoners momenteel onvoldoende worden betrokken bij beleidsvorming of besluiten die hen aangaan. Zowel de ECRI als de CERD hebben aanbevolen dat de maatregelen en strategieën die ten aanzien van Roma, Sinti en woonwagenbewoners worden gemaakt, in nauwe samenwerking met deze gemeenschappen moeten worden ontwikkeld. Op deze manier kan worden verzekerd dat ze toegesneden zijn op de specifieke problemen, zoals discriminatie en marginalisatie, en behoeftes van deze groeperingen. Dit geldt evenzo voor het woonwagenbeleid waar woonwagenbewoners mee geconfronteerd worden. Het wederzijdse wantrouwen tussen woonwagenbewoners en de overheid heeft daarbij een negatieve impact. Daarentegen kan worden gesteld dat er steeds meer zelforganisatie is bij de woonwagenbewoners waardoor ze hun belangen de laatste jaren beter hebben kunnen uitdragen. De oordelen van het College voor de Rechten van de Mens lijken daarbij een emanciperende rol te hebben gespeeld. Toch blijven problemen omtrent het woonwagenbeleid en andere zaken bij woonwagenbewoners in vele gemeenten bestaan. Een nationale strategie, waarin recht wordt gedaan aan alle hiervoor besproken verplichtingen en uitgangspunten, zou dan ook op zijn plaats zijn, zoals ook door organen als ECRI al is vastgesteld.

Aanbevelingen.

Het wordt tijd dat het huidige (minister Stef Blok en minister Lodewijk Asscher) of komende kabinet zich uitspreekt over een woonwagenbeleid, dat niet langer het stempel “discriminatie” draagt. De recente publicaties zoals o.a. het artikel van mr. Leonie Huijbers laten zien, dat het door gemeenten uitgevoerde nuloptie-, uitsterf-, danwel woonvisiebeleid strijdig is met alle door Nederland onderschreven nationale, Europese en internationale mensenrechtenverdragen. Een nieuwe aanpak, waarbij volmondig de woonwagencultuur inclusief de woonvorm wordt omarmd en gefaciliteerd, denk b.v. aan het wegnemen van blokkades door banken bij financiering van woonwagens en extra standplaatsen voor de jeugd, zal een aanmerkelijke kwaliteitsverbetering van woonwagenlocaties opleveren. Denk als overheid meer aan oplossingen die samen met bewoners bedacht worden in plaats van alleen maar aan problemen die door justitie, belastingen en beheerbureau’s moeten worden aangepakt.

ECRI =Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie.

CERD=VN-Comité voor de Eliminatie van Rassendiscriminatie

Icon of NTM 2015-nr -4 Artikel Huijbers-1 NTM 2015-nr -4 Artikel Huijbers-1 Icon of Mensenrechtelijk-kader-woonwagenbeleid-2015 7 2 (1) Mensenrechtelijk-kader-woonwagenbeleid-2015 7 2 (1)

Nils Muižnieks commissaris voor de Mensenrechten wil aanpak overheden tegen discriminatie Travellers 

Donderdag 11 februari 2016.

Op 4 februari 2016 is een artikel verschenen op de website van de Raad van Europa met de titel  “Travellers – Time to counter deep-rooted hostility” door Nils Muižnieks, commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa, over de situatie van Travellers in Europa.  Aan de hand van ervaringen van Roma, Travellers in o.a. Ierland, België, Frankrijk, Engeland doet hij een beroep op overheden om de discriminatie een halt toe te roepen. Hij bepleit o.a. dat er meer gerichte aandacht komt de erkenning van de specifieke cultuur, identiteit en de levenswijze van deze groepen, voor eliminatie van discriminerende bepalingen, voor erkenning van de woonwagen als woonvorm, voor het wegwerken van de onderwijsachterstanden, bouwen van extra woonwagenlocaties, stoppen van ontruimingen van woonwagencentra.

In deze notitie en andere Europese  wet-en regelgeving  wordt onder de term Travellers  alle mensen begrepen, die van oudsher een nomadische manier van leven hebben of hadden, zoals in Gypsies, Roma, Manouches, Sinti, Romani / Taters of Yenish . In Nederland heeft het betrekking op Roma, Sinti en woonwagenbewoners of reizigers. Omdat de Europese commissie haar artikelen alleen in het Engels en Frans publiceren heb ik met dank aan Google Translate een Nederlandse vertaling  gemaakt, waarbij ik de term Travellers  in de Nederlandse tekst heb laten staan.

In het kader van de aanbevelingen m.v.t de woonsituatie staan in het artikel ook zaken die van belang zijn voor de woonwagenbewoners  (Roma en Sinti) in Nederland. Hoewel in tegenstelling tot veel andere landen de woonwagen in Nederland inmiddels erkend is als woonvorm is er ook hier nog steeds een groot tekort aan standplaatsen. Vooral jongeren hebben dringend behoefte aan standplaatsen aan locaties, waar ze een woonwagen kunnen plaatsen. Mogelijk dat in gemeenten, die veel grond braak hebben liggen, waar de komende jaren geen woningbouw plaatsvindt of bedrijven worden gevestigd, grond tijdelijk wordt verhuurd voor het plaatsen van woonwagens. Dit zou mooi aan kunnen sluiten bij de Tiny Houses beweging, oorspronkelijk gestart in Amerika, die op dit moment veel in het nieuws is. Daarbij gaat het om kleine bouwprojecten van jonge mensen die in zelfbeheer  kleine energiezuinige,  verplaatsbare en soms op onderstellen gebouwde woningen willen bouwen. Gemeenten lijken hier wel oren naar te hebben en de eerste initiatieven zullen de komende jaren gebouwd gaan worden. In het nieuwe Bouwbesluit, wordt hier ook aandacht aan besteedt. Per 1 juli 2015 is de categorie “Woonfunctie voor particulier eigendom” ingevoerd in het Bouwbesluit, waardoor net als bij de woonwagen meer vrijheid mogelijk is bij het bouwen.

In dat kader pleit hij ook voor meer mogelijkheden voor woonwagenbewoners om hun woonwagens in een bestemmingsplan opgenomen te krijgen en om ook toegang te hebben tot financiering  van renovatie of vernieuwing van hun woonwagens. In Nederland weigeren de banken structureel hypotheek te verstrekken voor woonwagens of mobiele woonvormen. Dit is een discriminerende praktijk, omdat bewoners voor de aankoop van hun woonwagen en/of standplaats net als ander burgers voor hun woning en bouwkavel wel in aanmerking komen voor Nationale Hypotheek Garantie. Zowel de koper als de bank lopen daarmee geen financieel risico lopen  als men niet langer aan de financiële verplichtingen voldoet.

Ook laat hij weten, dat overheden moeten stoppen met het ontruimen van standplaatsen, zoals in Nederland plaatsvindt onder de noemer van “uitsterfbeleid”. Overheden kunnen hun energie en geld beter besteden aan het verbeteren van de woonomstandigheden en uitbreiden van het aantal standplaatsen. De dreiging van ontruiming levert mensen veel stress op en heeft ook een negatieve uitwerking op de kinderen en hun deelname aan het onderwijs.

Icon of Travellers  Artikel Commissaris Mensenrechten Nils Muižnieks  V3 4 Februari 2016 Travellers Artikel Commissaris Mensenrechten Nils Muižnieks V3 4 Februari 2016

Kabinet reageert op uitspraken VN-comité over de discriminatie van Roma, Sinti en woonwagenbewoners.

2 december 2015

In brief van 28 oktober 2015  zegt het kabinet toe dat de VNG aandacht moet schenken aan de behoeften van woonwagenbewoners.

Op 28 augustus 2015 heeft een comité van de Verenigde Naties  dat rassendiscriminatie onderzoekt haar zorgen uitgesproken en aanbevelingen gedaan over de stand van zaken van o.a. de Roma, Sinti en woonwagenbewonersin Nederland. Zie bericht: VN-comité: Gemeenten die geen rekening houden met woonwensen woonwagenbewoners discrimineren. van 15 september 2015.

Minister Asscher van Sociale zaken en minister Koenders van Buitenlandse zaken hebben nu op 28 oktober 2015 namens het kabinet een brief met bijlage geschreven aan de Tweede Kamer met hun standpunt over de aanbevelingen van dit comité van de Verenigde Naties. In de brief zelf worden alleen Roma en Sinti benoemd, maar in de bijlage wordt apart ingegaan op zorgen en de aanbevelingen voor  zowel Roma en Sinti en woonwagenbewoners.

Binnen het kader van deze website gaan we kort in op de mogelijke gevolgen van dit standpunt voor de woonsituatie van woonwagenbewoners

Aanbevelingen van VN-Comite tegen rassendiscriminatie

Op 28 augustus stelt het VN- comité stelt vast dat er sprake is van  aanzienlijke discriminatie van Roma, Sinti en woonwagenbewoners op het gebied van werkgelegenheid, huisvesting en gezondheidszorg. Speciaal voor woonwagenbewoners doet zij de aanbeveling,  dat de Nederlandse Staat resolute maatregelen neemt  om ervoor te zorgen dat reizigers worden voorzien van voldoende woonwagenlocaties, zodat zij in staat zijn om volgens hun tradities te leven en hun culturele identiteit te behouden.

Antwoord van het kabinet

Het voorzien in de behoefte aan huisvesting is een primaire taak van de gemeenten. Dit geldt ook voor het voorzien in standplaatsen voor woonwagenbewoners. Het gemeentelijke beleid dient in lijn te zijn met het uitgangspunt van gelijke behandeling. Daarnaast dient in het gemeentelijk beleid ook aandacht te zijn voor de behoeften van woonwagenbewoners. Het Rijk zal het belang hiervan in bestuurlijke overleggen met de VNG benadrukken.

Commentaar

Het kabinet (ook wel regering genoemd) zegt in eerste instantie dat wat zij al jaren verkondigt, namelijk dat de gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de huisvesting van hun inwoners. Dat betekent dat zij ook verantwoordelijk  zijn voor het voorzien in standplaatsen voor woonwagenbewoners. Daarbij geldt dat de gemeenten bij het beleid het principe van gelijke behandeling moeten toepassen. De recente uitspraken van het College voor de Rechten van de Mens tegen de gemeenten Oss, Vlaardingen en Elburg, maar ook die van de Raad van State tegen Amstelveen en de Rechtbank Amsterdam tegen Amsterdam zijn voorbeelden waar gemeenten woonwagenbewoners juist in strijd met  de Algemene Wet Gelijke Behandeling behandelen.

Belangrijk in deze brief van het kabinet is echter, dat zij zegt dat er in het gemeentelijk beleid aandacht dient te zijn voor de behoeften van woonwagenbewoners. En in de aansluitende zin doet zij de toezegging dat het Rijk, dwz de verantwoordelijk minister Stef Blok, in het bestuurlijk overleg met de VNG * zal benadrukken dat gemeenten rekening moeten houden met de behoeften van woonwagenbewoners. Met dit standpunt komt het Rijk voor een deel tegemoet aan het pleidooi van woonwagenbewoners, dat het Rijk gemeenten moet aanspreken, die gewoon door gaan met het opheffen van standplaatsen of het negeren van de roep om nieuwe standplaatsen voor jongeren. Tot op heden was die oproep aan dovemansoren gericht, omdat na de decentralisatie de gemeenten baas in eigen huis waren. Met deze toezegging komt er wat beweging. Weliswaar zal het Rijk, lees minister Blok, niet rechtstreeks gemeenten aanspreken, maar wel de organisatie, de belangenbehartiger van alle gemeenten. Tot nu toe heeft de VNG zich afzijdig gehouden van het woonwagenbeleid, maar mogelijk dat via deze toezegging er openingen komen die een positieve invloed hebben op het beleid in gemeenten.

*. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten is een belangenbehartiger van alle gemeenten in Nederland


Zorgen en aanbevelingen VN-Comité. 28 augustus 2015

Zorg 19.

Het Comité is bezorgd over berichten dat Roma, Sinti en Woonwagenbewoners worden onderworpen aan aanzienlijke discriminatie inzake de toegang tot werkgelegenheid, huisvesting en gezondheidszorg, over gemelde gevallen van buitensporige aantallen kinderen van Roma, Sinti en woonwagenbewoners die worden gescheiden van hun families, alsook de weigering van sommige gemeenten om rekening te houden met de behoefte van de reizigers aan voldoende woonwagenlocaties die hun in staat stellen om in overeenstemming met hun tradities te leven. (art. 2 en 5)

Aanbeveling 20

In het licht van haar algemene aanbevelingen nrs. 27 (2000) over discriminatie van Roma en 32 (2009) over de betekenis en de draagwijdte van de bijzondere maatregelen in het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, beveelt de commissie de Nederlandse staat aan om specifieke maatregelen te nemen ten behoeve van de Roma, Sinti en Reizigers, onder meer door het creëren van betere kansen op de arbeidsmarkt, bestrijding van discriminatie in het onderwijs en huisvesting, en de aanpak van de problemen van de Roma, met betrekking tot de registratiestatus en staatloosheid. De commissie doet de aanbeveling, dat de overheid deze maatregelen neemt na voorafgaand overleg met vertegenwoordigers van Roma, Sinti en reizigers, zodat zij ervan verzekerd is dat zij zijn afgestemd op hun specifieke problemen en behoeften. De commissie beveelt ook aan dat de Nederlandse staat resolute maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat reizigers worden voorzien van voldoende woonwagenlocaties, zodat zij in staat zijn om volgens hun tradities te leven en hun culturele identiteit te behouden.

Standpunt Kabinet. 25 oktober 2015

Het kabinet zet in samenwerking met de zogenaamde Roma-gemeenten in op het aanpakken van problematiek waar Roma, Sinti en Travellers mee te maken hebben, waar mogelijk vanuit generiek beleid. Daarbij worden ook de Roma zelf zoveel mogelijk betrokken bij het vinden van oplossingsrichtingen. Door middel van het tweejaarlijks laten uitvoeren van een monitor Sociale
Inclusie investeert het kabinet in kennis over de situatie en positie van Roma en Sinti in Nederland. Er worden regelmatig themabijeenkomsten georganiseerd met Roma gemeenten om kennis uit te wisselen over specifieke Roma gerelateerde problemen. Zo heeft dit jaar een themabijeenkomst over discriminatie plaatsgevonden aan de hand van een presentatie van een gemeentelijke antidiscrimatievoorziening.
Het kabinet tracht de toegankelijkheid van de anti-discriminatie voorzieningen en de meldingsbereidheid onder Roma, te vergroten. Om de schooluitval een halt toe te roepen is in 2006 rijksbeleid ontwikkeld via het programma Aanval op de Schooluitval om het voortijdig schoolverlaten aan te pakken en daarmee de kansen voor jongeren op de arbeidsmarkt te vergroten. Het schoolverzuim en de schooluitval onder Roma jongeren is de afgelopen jaren gedaald, zeker voor basisschoolleerlingen. Om de jeugdwerkloosheid tegen te gaan zijn in het Actieplan MBO 2011-2015 diverse maatregelen opgesteld, waaronder stimulering dat leerbedrijven jongeren in een kwetsbare positie, waaronder ook Roma en Sinti jongeren, stageplaatsen blijven aanbieden. De werkloosheid onder Roma jongeren blijft een aandachtspunt. Het programma Aanpak Uitbuiting Roma kinderen zet met een aantal gemeenten en maatschappelijke organisaties in op het ontwikkelen van instrumenten en tools voor professionals om daarmee de uitbuiting van Roma tegen te gaan. Het motto van het programma is “handhaven waar moet, perspectief waar kan”, en dient de handelingsverlegenheid van professionals te verminderen, en het ruimte kunnen bieden voor ondersteuning aan Roma te vergroten.

Het voorzien in de behoefte aan huisvesting is een primaire taak van de gemeenten. Dit geldt ook voor het voorzien in standplaatsen voor woonwagenbewoners. Het gemeentelijke beleid dient in lijn te zijn met het uitgangspunt van gelijke behandeling. Daarnaast dient in het gemeentelijk beleid ook aandacht te zijn voor de behoeften van woonwagenbewoners. Het Rijk zal het belang hiervan in bestuurlijke overleggen met de VNG benadrukken.

Icon of Kamerbrief En BijlageAsscher Discriminatie 28 Oktober 2015pdf Kamerbrief En BijlageAsscher Discriminatie 28 Oktober 2015pdf Icon of Uitspraak VN-commissie Over Discriminatie Roma Sinti Woonwagenbewoners 28 Augustus 2015 Uitspraak VN-commissie Over Discriminatie Roma Sinti Woonwagenbewoners 28 Augustus 2015

en Engelse volledige tekst :Icon of VNcomite Rassendiscriminatie Uitspraak 28 Augustus 2015 CERD VNcomite Rassendiscriminatie Uitspraak 28 Augustus 2015 CERD

VN-comité: Gemeenten die geen rekening houden met woonwensen woonwagenbewoners discrimineren.

14 september 2015.

Uitspraak VN-Commissie  inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (CERD).

Op 28 augustus 2015 heeft een comité van de Verenigde Naties  dat rassendiscriminatie onderzoekt haar zorgen uitgesproken en aanbevelingen gedaan over de stand van zaken in Nederland. Hoewel vooral haar uitspraak over Zwarte Piet overal in de pers veel aandacht heeft gekregen, heeft zij zich ook uitgelaten over de discriminatie van woonwagenbewoners, Roma en Sinti.

Het VN- comité stelt vast dat er sprake is van  aanzienlijke discriminatie van Roma, Sinti en woonwagenbewoners op het gebied van werkgelegenheid, huisvesting en gezondheidszorg. Zij stelt dat sommige gemeenten discrimineren als zij geen rekening houden met de woonwensen en woonwagencultuur van woonwagenbewoners om in een woonwagen op een woonwagenlocatie te wonen. Zij beveelt de Nederlandse overheid (op landelijk nivo minister Stef Blok) om in goed overleg met vertegenwoordigers van Roma, Sinti en woonwagenbewoners maatregelen te nemen, die de discriminatie wegnemen.

In het bijzonder vraagt zij aan de de overheid om extra maatregelen om het tekort aan woonwagenlocaties weg te werken, zodat bewoners in overeenstemming met hun woonwagencultuur kunnen leven.

Hieronder staat de vertaalde Engelse tekst van de uitspraak van de commissie van de  Verenigde Naties die gaat over discriminatie van Roma, Sinti en woonwagenbewoners in Nederland.

Discriminatie van Roma, Sinti en Woonwagenbewoners,

  1. Het Comité is bezorgd over berichten dat Roma, Sinti en Woonwagenbewoners worden onderworpen aan aanzienlijke discriminatie inzake de toegang tot werkgelegenheid, huisvesting en gezondheidszorg, over gemelde gevallen van buitensporige aantallen kinderen van Roma, Sinti en woonwagenbewoners die worden gescheiden van hun families, alsook de weigering van sommige gemeenten om rekening te houden met de behoefte van de reizigers aan voldoende woonwagenlocaties die hun in staat stellen om in overeenstemming met hun tradities te leven. (art. 2 en 5)
  2. In het licht van haar algemene aanbevelingen nrs. 27 (2000) over discriminatie van Roma en 32 (2009) over de betekenis en de draagwijdte van de bijzondere maatregelen in het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, beveelt de commissie de Nederlandse staat aan om specifieke maatregelen te nemen ten behoeve van de Roma, Sinti en Reizigers, onder meer door het creëren van betere kansen op de arbeidsmarkt, bestrijding van discriminatie in het onderwijs en huisvesting, en de aanpak van de problemen van de Roma, met betrekking tot de registratiestatus en staatloosheid. De commissie doet de aanbeveling, dat de overheid deze maatregelen neemt na  voorafgaand overleg met vertegenwoordigers van Roma, Sinti en reizigers, zodat zij ervan verzekerd is dat  zij zijn afgestemd op hun specifieke problemen en behoeften. De commissie beveelt ook aan dat de Nederlandse staat resolute maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat reizigers worden voorzien van voldoende woonwagenlocaties, zodat zij in staat zijn om volgens hun tradities te leven en hun culturele identiteit te behouden.

NB: De oorspronkelijke tekst is in het Engels. De gebruikte term “traveller ” is hier wisselend vertaald als reiziger of woonwagenbewoner. “State Party” is vertaald als de overheid of Nederlandse Staat.

Icon of Uitspraak VN-commissie Over Discriminatie Roma Sinti Woonwagenbewoners 28 Augustus 2015 Uitspraak VN-commissie Over Discriminatie Roma Sinti Woonwagenbewoners 28 Augustus 2015

en Engelse volledige tekst :Icon of VNcomite Rassendiscriminatie Uitspraak 28 Augustus 2015 CERD VNcomite Rassendiscriminatie Uitspraak 28 Augustus 2015 CERD

Onderzoek naar de legitimiteit van het uitsterfbeleid van woonwagenkampen in Nederland

14 september 2015.

Dit is de kop van een artikel dat al in december 2014 is verschenen op de website van LIBERTIES.EU. Dit is het European Liberties Platform, een onafhankelijke waakhond die burgers aanspoort op te komen voor de bescherming en bevordering van hun mensenrechten. Hieronder staat de tekst van het artikel:

In verschillende Nederlandse gemeenten wordt er een zogenaamd ‘uitsterfbeleid’ aangaande woonwagenkampen gevoerd. Dit beleid is niet in lijn met Nederlandse, Europese en internationale uitspraken en tendensen.

In verschillende gemeenten wordt er een zogenaamd ‘uitsterfbeleid’ aangaande woonwagenkampen gevoerd. Dit beleid houdt, kort gezegd, in dat woonwagenstandplaatsen die vrijkomen niet opnieuw worden verhuurd. Hierdoor zijn er steeds minder woonwagens en standplaatsen voor bewoning beschikbaar, terwijl er onverminderd vraag naar is en er reeds een tekort aan standplaatsen is.

Het Public Interest Litigation Project (PILP) heeft, in samenwerking met Universiteit Utrecht onderzoek laten verrichten naar woonwagenbeleid in Nederland. Dit onderzoek is uitgevoerd door Rachel Dijkstra en voert de titel: UitsterfbeleidWoonwagenkampen in Nederland legitiem?

In de tekst analyseert Dijkstra de internationale en Europese mensenrechten standaarden die van toepassing zijn in deze context. Ze is daarbij ingegaan op de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ten aanzien van artikel 8 EVRM, de toepassing van het Europees Sociaal Handvest en de internationale standaarden die onder meer zijn vastgelegd in het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten en het Internationale Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten. Bovendien heeft zij de relevante oordelen van het College voor de Rechten van de Mens, het voormalige College van Gelijke Behandeling, geanalyseerd.

Uitsterfbeleid is niet in lijn met Nederlandse, Europese en internationale regelgeving
Dijkstra concludeert dat “het uitsterfbeleid dat door verschillende gemeentes wordt gevoerd niet in lijn is met de Nederlandse, Europese en internationale uitspraken en tendensen”. Ze maakt daartoe drie belangrijke punten. Ten eerste, worden Roma, Sinti en woonwagenbewoners niet erkend als minderheden in Nederland waardoor er ook in het gemeentelijk beleid geen aandacht wordt besteed aan deze kwalificatie.

Ten tweede, lijkt het uitsterfbeleid van woonwagenkampen een ongerechtvaardigd onderscheid tussen bewoners van woonwagens en bewoners van reguliere huisvesting. Bovendien zou de specifieke positie van Roma en woonwagenbewoners een gunstigere behandeling behoeven waarbij ook in voldoende standplaatsen voor woonwagens wordt voorzien.

Tot slot, lijkt het uitsterfbeleid inbreuk te maken op het recht op privé- en familieleven zoals dit is uitgelegd door het EHRM. Dit recht zou in ieder geval een belangen afweging vergen bij het maken van en het uitvoeren van beleid. Daarbij zou rekening dienen te worden gehouden met de cultuur van Roma, Sinti en woonwagenbewoners om te leven in familieverband en in woonwagens.

Het onderzoek kan hier worden geraadpleegd: R.I. Dijkstra, Uitsterfbeleid woonwagenkampen in Nederland legitiem? (2014).

Icon of R I -Dijkstra-Uitsterfbeleid-woonwagenkampen-in-Nederland-legitiem-2014 R I -Dijkstra-Uitsterfbeleid-woonwagenkampen-in-Nederland-legitiem-2014

PILP publiceert Mensenrechtelijk kader woonwagenbeleid, een handreiking voor gemeenten

18 augustus 2015

p 23 juni 2015 heeft Leonie Huijbers (*1) van het PILP de Utrechtse gemeenteraad toegesproken over mensenrechten en het uitsterfbeleid woonwagenkampen. Haar bijdrage heeft ze verwerkt in een handreiking voor gemeenten over dit onderwerp, wat op 16 juli 2015 is gepubliceerd door PILP: MENSENRECHTELIJK KADER WOONWAGENBELEID ,een handreiking voor gemeenten.

Deze publicatie is een belangrijk informatief stuk, waarmee zowel  woonwagenbewoners als gemeenten een beter inzicht krijgen in de materie en daardoor een zinvolle discussie kunnen voeren hoe het nu verder moet met het woonwagenbeleid.De vraag is of, nu er twee (*2) recente  juridisch onderbouwde publicaties uitgekomen zijn, waarin het uitsterfbeleid duidelijk als discriminerend wordt bestempeld, Tweede Kamerleden niet in actie moeten komen om minister Stef Blok kritisch te bevragen.

Voldoet het huidige woonwagenbeleid wel aan de minimumeisen van mensenrechten?

Het Public Interest Litigation Project (PILP) van het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM) heeft vorig jaar het Nederlandse decentrale woonwagenbeleid opgepakt als zijn eerste zaak. Zij onderzoeken hierbij de legitimiteit van verschillende vormen van woonwagen-beleid, waaronder het ‘uitsterfbeleid’ of zoals het Ministerie van VROM het noemt de ‘nuloptie’ of het ‘afbouwbeleid’. Zij betwijfelen namelijk of dit beleid en andere vormen van woonwagen-beleid voldoen aan de (minimum)eisen van mensenrechten. Om meer duidelijkheid te scheppen over de mensenrechtelijke normen die spelen bij dit beleid, beschrijven zij in deze publicatie het Europees en internationaal juridisch kader.

Gemeentelijk woonwagenbeleid

Ten eerste dienen gemeenten bij het bepalen van het woonwagen-beleid rekening te houden met de specifieke belangen van woonwagenbewoners.Het bewonen van een woonwagen kan dan ook niet worden weggezet als een simpele ‘woonwens’. Het moet worden gezien als een wezenlijk onderdeel van de woonwagen-cultuur en – identiteit wat vraagt om een gedifferentieerde behandeling.

Ten tweede is het van belang om een mogelijk tekort aan stand-plaatsen te ondervangen.Dit betekent niet dat het noodzakelijk is dat er evenveel woonwagenstandplaatsen zijn als er vraag naar is, maar in de ruimtelijke planning dient het woonwagenleven voldoende gefaciliteerd te worden. Om inzicht te krijgen in de vraag naar woonwagenstandplaatsen zouden gemeenten een wachtlijst kunnen opstellen en de wachttijd inventariseren. In ieder geval is duidelijk uit de oordelen van het College dat een woonwagenbeleid wat gericht is op het laten verdwijnen of inkrimpen van het aantal woonwagen-standplaatsen discriminerend is.

Ten derde dient ten aanzien van individuele gevallen de belangen van de betreffende woonwagenbewoner in acht te worden genomen.Zeker bij uitzetting dienen er zwaarwegende redenen te zijn; daarbij is antisociaal gedrag niet voldoende om uitzetting te rechtvaardigen.Eveneens betekent een gelijke behandeling in dat een uitzetting van een woonwagenbewoner niet zou mogen leiden tot een opheffing van de standplaatsen, wat in feite neer zou komen op een afbouwbeleid

Icon of Mensenrechtelijk-kader-woonwagenbeleid-2015 7 2 Mensenrechtelijk-kader-woonwagenbeleid-2015 7 2

(*1) Leonie Huijbers is promovenda bij de vaksectie Internationaal en Europees Recht van de Radboud Universiteit Nijmegen en tevens coördinator van het PILP dossier ‘uitsterfbeleid woonwagenkampen’

(*2): R.I. Dijkstra, Uitsterfbeleid woonwagenkampen in Nederland legitiem? (2014)

Icon of R I -Dijkstra-Uitsterfbeleid-woonwagenkampen-in-Nederland-legitiem-2014 R I -Dijkstra-Uitsterfbeleid-woonwagenkampen-in-Nederland-legitiem-2014

Jaarverslag College voor de Rechten van de Mens 2014:  Uitsterfbeleid woonwagenbewoning discriminerend.

Vrijdag 15 mei 2015

Op 12 mei 2015 heeft het College voor de Rechten van de Mens de derde jaarlijkse rapportage over de mensenrechten het jaar 2014 gepubliceerd.

In het rapport staat in het hoofdstuk ”  Non-discriminatie en gelijke behandeling” op bladzijde 46: 

“Uitsterfbeleid woonwagenbewoning is discriminerend. Het ‘uitsterfbeleid’ van gemeenten voor woonwagenbewoning is in strijd met de Algemene Wet Gelijke Behandeling ( AWGB). Dat besliste het College eind 2014 in twee oordelen. Dit beleid leidt ertoe dat woonwagenbewoners niet meer in hun woonwagens kunnen blijven wonen, terwijl dit juist van  oudsher een essentieel onderdeel is van de cultuur van deze groep. “

Met deze uitspraak worden gemeenten en woningbouwcorporaties erop gewezen, dat zij met een uitsterfbeleid in strijd handelen met de AMGB, maar ook met Internationale Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassen-discriminatie. Het College voor de Rechten van de Mens doet in deze rapportage geen directe aanbeveling. Als je echter kijkt naar haar standpunt ten aanzien van de decentralisatie van de zorg, waarvoor gemeenten vanaf 1 januari van dit jaar verantwoordelijk zijn, dan zegt zij dat dat Centrale overheid ook toezicht moet blijven houden op gemeenten dat zij op een goede manier de zorg organiseren en verlenen aan hun burgers. Nu is de zorg voor de huisvesting van woonwagen-bewoners natuurlijk al in 1999 verplaatst van de rijksoverheid naar gemeenten.  In het geval dat gemeenten in strijd met verschillende wetten bezig zijn om een uitsterfbeleid voor woonwagenbewoning te voeren, zal volgens  het  College, de rijksoverheid eveneens toezicht moeten uitoefenen op gemeenten. Dit standpunt wordt o.a.gedeeld door  het Europese Comité voor Sociale Rechten, dat in 2014 de Belgische overheid heeft medeverantwoordelijk heeft gehouden voor de verbetering van de woonsituatie van de woonwagenbewoners.Deze rapportage is opnieuw een signaal aan de Tweede Kamer om minister Stef Blok te vragen of de regering ook naar woonwagenbewoners haar verantwoordelijkheid gaat nemen en afstand neemt van het uitsterfbeleid van gemeenten.

Interview Paula Bloemers.

In de rapportage is een apart interview opgenomen met Paula Bloemers, die de zaak rond het uitsterfbeleid in de gemeente Oss aanhangig heeft gemaakt: Paula (42), woont samen met haar echtgenoot en zoon al haar hele leven in een
woonwagenkamp in Oss. Iedereen in haar familie woont al meer dan honderd jaar in soortgelijke kampen. De sfeer onderling en met de buurt is gemoedelijk, er is vrije inloop bij haar en iedereen thuis. Paula voelt zich volledig geïntegreerd.
Maar intussen voert de gemeente een uitsterfbeleid waardoor langzaam alle woonwagenbewoners verdwijnen. “De overheid maakt ons een status ‘apart’, net alsof we een of andere kermisattractie zijn. Zij redeneren dat wij woonwagen- bewoners onze cultuur ook ‘in huis’ kunnen beleven. Maar die woonwagen is toch gewoon ons huis?” Paula, en andere woonwagenbewoners, dienden een klacht in bij het College voor de Rechten van de Mens. Het College oordeelde dat zij gediscrimineerd worden vanwege hun afkomst. “We krijgen in deze maatschappij allemaal kinderen, elke cultuur mag in Nederland dat beleven en iedereen mag hier zichzelf zijn. Hoe kan het dan dat wij niet mee mogen doen?” Door het ‘passief-0-beleid’ mogen er geen nieuwe woonwagens worden opgezet of oude doorverkocht. “Mochten mijn ouders overlijden of verhuizen, dan krijg ik geen nieuwe buren meer maar betonblokken.” Sinds het oordeel zijn er veel mede-woonwagenbewoners uit Nederland die klachten indienen bij antidiscriminatiebureaus, of aangifte doen. Toch houdt het uitsterfbeleid stand. “Er is geen overheid in Nederland die het als discriminatie ziet. Als er niets verandert, ga ik naar de rechtbank en procedeer ik door tot aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Want ik ga hier niet mee akkoord.”Icon of Rapportage Mensenrechten In Nederland 2014 Rapportage Mensenrechten In Nederland 2014

Procederen voor mensenrechten in Nederland door PILP

Met de tekst “Uitsterfbeleid woonwagenkampen in strijd met mensenrechten?” mengt  PILP zich in het publieke debat. Zij onderzoekt de vraag of  gemeenten, maar ook woningcorporaties in strijd handelen met de mensenrechten zoals die zijn vastgelegd in Europese en andere internationale verdragen die de rechten van minderheden zoals Roma, Sinti en woonwagenbewoners moeten beschermen. Nederland heeft die verdragen ondertekent, maar weigert tot nu toe om in haar beleid rekening te houden met de verplichtingen. Zoals ook in de recente hoorzitting op maandag 29 september van de Vaste Kamercommissie van SWZ weer is gebleken beperkt de aandacht zich tot de problematiek van een deelgroep van Roma in “20 – gemeenten”, kinderarbeid- en handel en criminaliteit. Bij de de discussie in deze commissie van de Tweede Kamer gaat men voorbij aan de noodkreet van woonwagenbewoners om paal en perk te stellen aan het afbraakbeleid van gemeenten. Het is voor woonwagenbewoners niet te begrijpen, dat een overheid eerst tientallen jaren veel moeite doet om gemeenten ervan te overtuigen, dat het inrichten van degelijke woonwagenlocaties een voorwaarde is om woonwagenbewoners een stap te laten maken op de maatschappelijke ladder, om vervolgens toe te staan dat gemeenten met hun sterfhuisbeleid het emancipatieproces de nek omdraaien.

Wat is PILP en wat kan PILP betekenen voor de rechtspositie van woonwagenbewoners, Sinti en Roma.

Nederland is er als de kippen bij om kritiek te leveren op andere landen als het gaat om de schending van mensenrechten maar in eigen land valt ook nog wel flink wat te verbeteren.Het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten start daarom vandaag een project om het thema hoger op de agenda te krijgen: PILP.

Het bestaat uit een team van in mensenrechten gespecialiseerde  juristen en adviseurs. Zij wil schendingen van de burger- en mensenrechten die in Nederland al lange tijd spelen signaleren en aan de kaak stellen. Het doel is om structurele maatschappelijk en juridische veranderingen te bewerkstellingen in wetgeving, politiek en praktijk. Een van de dossiers die PILP op dit moment aan het onderzoeken is, is of het “Uitsterfbeleid Woonwagenkampen”  in strijd met is met mensenrechten. Op de website van PILP www.pilpnjcm.nl staat een beschrijving van het Dossier Uitsterfbeleid Woonwagenkampen:

“Uitsterfbeleid woonwagenkampen in strijd met mensenrechten?

Roma, Sinti en woonwagenbewoners worden in Nederland niet erkend als nationale minderheden. Het College voor de Rechten van de Mens meent dat deze groep wel een etnische bevolkingsgroep is die extra bescherming geniet. Ook het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft meerdere malen in scherpe bewoordingen aangegeven dat Roma de meest achtergestelde en gediscrimineerde bevolkingsgroep in Europa is. Vanuit Europa en de VN is er de roep om Roma, Sinti en woonwagenbewoners en hun cultuur te beschermen.

Sinds de afschaffing van de Woonwagenwet in 1999 is er geen nationaal woonwagenbeleid meer. In een leidraad van het VROM worden vijf beleidsopties aan de gemeenten meegegeven betreffende de handhaving van woonwagenlocaties. De eerste beleidsvariant is de nuloptie met als doel het uitsterven van woonwagenkampen. Gemeenten kunnen daaronder een zogenaamd uitsterfbeleid voeren door vrijkomende standplaatsen te verwijderen of een actief beleid door bewoners andere huisvesting aan te bieden (vb. gemeente Utrecht).

Het uitsterfbeleid is mogelijk in strijd met internationale en nationale verplichtingen ten opzichte van Roma, Sinti en woonwagenbewoners. De Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI) heeft in haar laatste rapport het Nederlandse beleid bekritiseerd en de overheid geadviseerd om te zorgen voor voldoende woonwagenstandplaatsen. Tot dusver heeft de nationale overheid hierop geen actie ondernomen en blijven gemeenten het uitsterfbeleid voeren. Dit leidt tot veel frustratie bij Roma, Sinti en woonwagenbewoners.”

Het PILP onderzoekt de legitimiteit van het uitsterfbeleid van gemeenten. Een eventuele juridische procedure zou (mede) gericht moeten zijn op het verschaffen van duidelijkheid over de positie van Roma, Sinti en woonwagenbewoners en hun cultuur in Nederland. Inmiddels heeft er al een eerste orienterende hoorzitting met woonwagenbewoners en woonwagen ( Roma-Sinti) en belangenorgansiaties organisaties plaatsgevonden.

Op NPO Radio 1 in het programma De Ochtend is vandaag 8 oktober 2014 een interview te horen met de projektleider mr.Jelle Klaas. Dit intervieuw is terug te luisteren via de volgende link: http://tinyurl.com/n8b9e3m

Op de website van het Platform Burgerrechten verscheen in augustus 2014 het eerste interview met Jelle Klaas over het PILP. Daarin spreekt hij zich uit over het recht om in een woonwagen te wonen:

“Wegkijken van fundamentele kwesties

Een zaak die op dit moment al in de steigers wordt gezet, is de ‘woonwagenzaak’. Een zaak die kenmerkend is voor de ambities van het PILP. Klaas: “Het gaat hier om inwoners van woonwagenkampen, die het fundamentele recht hebben hun cultuur te handhaven. Verschillende Nederlandse gemeenten voeren op dit moment echter een ‘uitsterfbeleid’ dat middels een complex vergunningensysteem als gevolg heeft dat aanvragen worden opgehouden, getraineerd en om verschillende juridische redenen geen doorgang krijgen.” De aanvragers worden met een kluitje in het riet gestuurd, aldus Klaas. “Deze procedures gaan niet over de principiële vraag: ‘Mag ik in Nederland in een woonwagenkamp wonen?’, maar worden teruggebracht naar complexe individuele vergunningskwesties die zeer langdurig zijn en waar mensen niet meer uit komen. Dat leidt tot veel frustratie. We gaan nu kijken hoe we deze discussie principieel kunnen voeren.”

De contactgegevens van PILP zijn :

Postbus 778
2300 AT Leiden

Projectcoördinator mr. Jelle Klaas
+31 (0)71 527 62 97
contact@PILPNJCM.nl

Volg ons ook op Twitter, LinkedIn en Facebook.

Als u mensenrechten zaken wilt aanmelden dan kunt u dat doen via het formulier dat op de websiet van PILP staat: Meld uw zaak aan

 

 

radar